Dit wordt iets anders dan ik 14 december aankondigde. Daar staat dat ik het zou gaan hebben over Chapman’s kritiek op het ‘Consensus-boeddhisme’
Toen ik dat schreef, dacht ik dat ik de blog van David Chapman van het afgelopen halfjaar in lijn lag met mijn ideeen over de ontwikkeling van het boeddhisme in Nederland. Nu heb ik daar wat meer twijfel over.
De teksten van Chapman blijven fascinerend, zie bv z’n blogs van de laatste maand die ik kort zal samenvatten. Zie hier en hier en hier en hier.
Volgens Chapman is, in Amerika, een consensus-boeddhisme steeds populairder aan het worden, waarbij een aantal boeddhistische leraren bewust en in samenwerking met elkaar (gestimuleerd door de Dalai Lama) dit consensus-boeddhisme al een jaar of vijftien aan het bevorderen zijn. Zijn bezwaar daartegen is dat allerlei aspecten van diverse tradities weggepoetst worden, bij hem is dat tantra.
Ik herken in Nederland de door Chapman geschetste ontwikkeling in de richting van ‘Consensus-boeddhisme’ slechts beperkt. Al is de leraar die hij er het meest kenmerkend voor noemt, Joseph Goldstein, ook hier geen onbekende. Het gaat vooral om het in 2003 uitgekomen boek ‘One Dharma: The Emerging Western Buddhism’ van Goldstein. Dit is in het Nederlands vertaald als ‘De opkomst van het Westers boeddhisme’ maar dat is niet meer verkrijgbaar.
Afijn; lees Chapman en de kommentaren op zijn teksten zelf maar in z’n blog. Ik kom nog wel eens op hem terug.
Voor de ontwikkeling in Nederland ga ik eerst even terug naar Deel 1 waarin ik vooral de opvatting van Stephen Prothero weergeef dat ten onrechte wordt gedacht dat al de wereldreligies in wezen dezelfde boodschap hebben, een opvatting die ook door Karin Armstrong wordt omarmd.
En – voeg ik toe – in zekere zin ook door de Dalai Lama in z’n voor Westerlingen bestemde (z’n spirituele boodschap voor Tibetanen is vermoedelijk iets anders, vol religieuze zaken) recente boek ‘Beyond Religion’ stelt dat christenen, boeddhisten, atheïsten zich vooral op ethische zaken als compassie en wederzijds respect hoeven te richten.
Zoals ik al meer heb gezegd: best wel goed maar toch een niet-acceptabele reductie van religies.
Naast deze reductie, vooral door ethisch georiënteerde mensen, zijn er nog twee andere geseculariseerde vormen van reduceren:
De eerste wordt vooral benadrukt door de vele therapeuten, coaches en daarmee vergelijkbare beroepsbeoefenaren en ZZP’ers die interesse in het boeddhisme hebben gekregen: de technische reductie van de beoefening van het boeddhisme tot methoden zoals mindfulness. Daar heb ik al genoeg over geschreven.
De tweede noem ik een feelgood reductie. Ik doel dan op de sterke groei in Nederland (ik hoop en denk dat dit z´n hoogtepunt voorbij is) van enthousiasme voor een lichte vorm van boeddhisme, niet een religie maar een levenswijze zegt men dan met nadruk. Van dit ´buddhism lite´ is er ook nog eens een extra lichte vorm, ook wel genoemd ´spiritualiteit in de uitverkoop´ en gesymboliseerd door de overal te koop zijn de boeddha-beelden; daarover hebben vele critici het ook al vele malen gehad.
Dat is allemaal heel bedenkelijk, vind ik dan; andere boeddhisten denken dat dit een stepping stone kan zijn naar het beoefenen van boeddhismen in een meer diepgaande vorm, gericht op vragen van leven en dood.
De vraag is hoe dit op de langere termijn - bijvoorbeeld over 25 jaar – uitpakt; ik ben dan waarschijnlijk wel dood maar niettemin houd ik m´n hart vast.
Ik wil het echter verder hebben over een veel ouder verschijnsel – ook ruimschoots in Azië optredend - dat in Nederland nog lang niet voorbij is.
Over het feit namelijk dat de meeste boeddhisten en ook de leraren eigenlijk alleen de eigen traditie kennen en ook geen wezenlijke belangstelling voor andere boeddhistische tradities hebben.
De stelling die tegenwoordig echter door veel kenners tevens beoefenaren van het boeddhisme wordt aangehangen: tussen de boeddhistische tradities zijn er aanmerkelijke verschillen die niet ´onschuldig´ te maken zijn door ze als accenten van Thaische, Chinese, Tibetaanse etc cultuur te benoemen. Het zijn ook soteriologische verschillen.
Overzichten van de feitelijke verschillen zijn er genoeg, ook op internet. Google ze maar.
Ze worden zoals ik hierboven beschreef soms ontkend of gebagatelliseerd.
Of er speelt iets anders:
Om de een of andere reden spelen die verschillen vaak geen rol in de hoofden van vele boeddhisten; als die het over ´HET boeddhisme´ hebben bedoelen ze heel vaak en volstrekt impliciet hun vorm van boeddhisme, dus zonder zich maar te realiseren dat dit wat merkwaardig is.
Andere tradities worden soms als ´onjuist´ getypeerd (ik merkte dat vooral bij Theravada-monniken); al wordt dat merkbaar steeds minder als ´spiritueel correct´ gezien.
Of de verschillen worden – in Mahayana-scholen – opgevangen in een systeem met het (in mijn ogen) riskante concept van ‘vaardige middelen’, (Sankriet ´skillful means´, Sanskriet ´upaya´) waarmee alle verschillen tussen tradities worden herleid tot verschillende graden van spirituele intelligentie van beoefenaren.
In nogal wat Mahayana-teksten wordt een vorm van boeddhisme geconstrueerd dat men soms Hinayana noemt (letterlijk: het minder, minderwaardige voertuig) dat goed is in de beoefening van beginners en nogal slordig vrijwel wordt gelijkgesteld (niet altijd expliciet) met het Theravada-boeddhisme.
In termen van inter-boeddhisme-dialoog: dat schiet niet op.
Ik gebruik hier de uitdrukking inter-boeddhisme-dialoog als variant op het populair geworden verschijnsel interfaith dialogue, zie Wiki.
Ik hoop dat dit begrip veel gebruikt gaat worden en kort daarom af als IBD.
Dat de dialoog niet altijd lukt, ook niet bij de V.U. die zich hierop wil profileren, beschrijf ik in m´n blog.
Tegen boeddhisten die ook aan de een dialoog met christenen (willen) participeren zeg ik graag: heel goed maar laten we dan eerst eens oefenen met de dialoog tussen boeddhistische tradities, een IBD dus; of is die juist moeilijker dan interfaith ?
Laat ik eens proberen een paar suggesties te doen hoe de IBD plaats kan vinden.
Geen groot nationaal debat, maar kleine lokale en regelmatuig terugkerende bijeenkomsten.
Waarom eigenlijk zulke debatten?
Ze horen bij het boeddhisme, in ieder geval in het klassieke. En bovendien is het leuk, vind ik dan.
Maar vooral kunnen ze nieuwe zoekers op het boeddhische pad helpen en meer ervarenen helpen hun plaats in de diverse tradities te verhelderen.
Zelf geef ik de voorkeur aan een frontale benadering: die over de verschillen tussen de leerstellingen. Veel klassieke Aziatische discussies gaan ook daarover, want in tegenstelling tot het beeld dat sommigen ervan hebben, kunnen (klassieke) boeddhisten behoorlijk met elkaar in de clinch liggen. Helaas werkt deze methode in discussie tussen de meeste spiritueel softe mensen in Nederland niet (is mijn indruk); ook niet omdat behoorlijke kennis van de leerstellingen daarbij verondersteld wordt.
De weg van ´samen optrekken´ - met alle gevaren van bagatelliseren en ontkennen van verschillen – lijkt toch nog de beste. Ik bedoel: een aantal belangrijke begrippen van alle kanten bekijken, wat bedoel jij met ‘niet-zelf’ en wat bedoelt mijn traditie er mee? Mag je niet genieten en wat is hechten in het boeddhisme, hoe denken de tradities daar over? Enzovoorts maar voor veel mensen wat te intellectualistisch.
Een meer makkelijke vorm is het wellicht, niet met de leerstellige kant maar met de verschillen in rituelen te beginnen. Dat gesprek zal zich trouwens, als het zich niet tot estheticisme (tot mooie plaatjes of muziek) beperkt, toch ook naar inhoudelijke kanten ontwikkelen.
Een derde vorm is het vergelijken van methoden van beoefening. Neem iets waarvan het makkelijk lijkt dat men weet waarover men heeft: het mediteren. Het is me verschillende malen in gesprekken met mediterenden van andere tradities opgevallen dat we er impliciet van uit gingen dat
mediteren = mediteren = mijn manier van mediteren. Niet dus.
Bij een Tibetaans meditatie-weekend dat ik een keer bijwoonde, dacht ik herhaaldelijk: wanneer eindigen de rituelen nu en begint de meditatie? Onjuiste verwachtingen.
Misschien niet geschikt als een beginners-discussie maar daarna een bruikbare weg.
In ieder geval zal startpunt moeten zijn de bereidheid een onbevangen houding aan te nemen t.o.v. de andere traditie. Het zonder mening of theorie de vertegenwoordiger van de andere traditie bevragen.
Maar ook – ik herhaal het maar – zonder zo snel mogelijk naar consensus te zoeken.
Die onbevangenheid zal soms op de raarste momenten nodig kunnen zijn; zo kijken mensen soms vreem op als ik beweer dat Theravada niet het begrip ´Boeddha-Natuur´ gebruikt. Ik van mijn kant was nogal verbaasd toen toen me doordrong (een beetje dan) wat tantrisch boeddhisme inhoudt: een wereld van verschil.
Wat ook nodig is, ik weet dat het wat schools klinkt, is eerst zo goed mogelijk je termen definiëren; want de mogelijkheid tot misverstanden is legio.
En hoe discussieer je eigenlijk? We zijn vooral vrij lange talks gewend, monologen dus, met soms gelegenheid tot het stellen van vragen aan de leraar die de talk geeft. Dat is voor een discussie niet zo’n goed model. Maar op twitter-berichten-niveau wordt het weer te kreterig, geeft ook geen verdieping. Gewoon iemand een paar minuten laten uitpraten; maar ook: na een paar minuten stoppen me je betoog.
En opnieuw: streef niet te snel naar consensus. En probeer aandachtig te zijn over je superioriteitsgevoelens.
Een uitzondering op mijn stelling dat de IBD haast nooit plaatsvindt, is een serie uitzendingen van de BOS-Radio onder de titel ´Kwesties voor leraren´ in 2010 en 2011. Zie hier en hier en hier en hier en hier. Toen stopte de serie helaas, de leraren waren toch niet op ?
Ik ga de BOS eens vragen die reeks voort te zetten (misschien niet alleen tussen leraren, ook tussen leerlingen); en ook of ze de gevoerde gesprekken uitgetypt kunnen publiceren.
Een andere uitzondering waren de halfjaarlijkse studiedagen van de Stichting Vrienden van het Boeddhisme, maar zoals alles is ook dit vergankelijk en voorbij.
Want de vraag is natuurlijk: wie moet zoiets organiseren? Een paar ideetjes.
- André van der Braak natuurlijk, het wordt in feite z’n taak een beetje als nieuwe VU-hoogleraar.
- Een stuk of drie sangha’s per stad komen een keer bij elkaar en organiseren een lokale bijeenkomst
- Een paar enthousiaste individuele (ongebonden) boeddhisten die elkaar via sociale media vinden
- De BOS misschien, ook de televisie: kan puur boeddhistische programma’s opleveren.
Er tegen aan
Posts tonen met het label boeddhisme in Nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boeddhisme in Nederland. Alle posts tonen
donderdag 12 januari 2012
donderdag 8 december 2011
Een nieuwe VU hoogleraar boeddhistische filosofie
Gisteren meldde de website van Ad Valvas dat de VU een bijzonder hoogleraar
'Boeddhistische filosofie in dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities’ krijgt.
In de persoon van André van der Braak, in boeddhistisch Nederland wel bekend.
Zie hier; en ook op de website van de Faculteit Godgeleerdheid
Prima natuurlijk, die functie-omschrijving, al vind ik wel dat de boeddhisten met die dialoog eerst maar eens moeten oefenen; in dialoog namelijk met elkaar, tussen de diverse boeddhistische tradities, want die ontbreekt grotendeels.
Verder interesseert de boeddhistische filosofie me zeer, daarom heb ik dan ook een paar keer een lezingencyclus van deskundigen zoals Richard Hayes daarover gevolgd. Geïnteresseerden zouden eens het boek Buddhist Philosophy: Essential Readings van Edelglass en Garfield (eds) door kunnen bladeren. (Zie amazon.com en books.google)
Men is immers nooit te oud om te leren; ik in ieder geval niet, al hoef ik geen (boeddhistische) baan meer te hebben.
Het bericht was reden voor mij hem een felicitatie-mailtje te sturen:
Beste André
Een uurtje nadat ik je vanmorgen mailde, las ik op ' Advalvas.vu' van je benoeming tot bijzonder hoogleraar.
Gefeliciteerd daarmee. (En ook Annewieke en de rest van de VU daarmee gefeliciteerd)
De zaken die je, blijkens dit bericht, aan de orde wil gaan stellen, komen me als zeer relevant voor
...
Uiteraard gaan je activiteiten alle boeddhismen betreffen, dus niet alleen Zen, zoals we al eerder hebben besproken. Ik denk dat het 'vroege boeddhisme' aka Theravada niet zo moeilijk voor jou zal zijn om dieper te bestuderen (hoewel ik je laatst op de BOS-radio wat al te makkelijk de term 'BoeddhaNatuur' hoorde gebruiken alsof alle boeddhisten daarin geloven; en verder beveel ik je het werk van David Kalupahana aan) maar het Tibetaans boeddhisme is wellicht wat lastiger om met gezag iets over te zeggen, dat zou het althans voor mij zijn.
"Het boeddhisme wordt steeds populairder in Nederland" zeg je in Ad Valvas. Dat is een cliché; ik denk eigenlijk dat het als hype voorbij is en dat afgezien van geseculariseerde producten als 'mindfulness' weer een serieuzer en dus kleiner aantal beoefenaren gaat krijgen de komende jaren. (Okay, laat ik eerlijk zijn: dat hoop ik)
Wat je zegt over de boeddhistische omroep, is me uit het hart gegrepen, daarom betwijfel ik ook of de fusie VPRO-BOS zo gelukkig is: kan wel eens 'grachtengordelboeddhisme' opleveren.
Goed dat je aandacht gaat besteden aan maatschappelijk-ethische zaken, al lijkt "het oplossen van maatschappelijke vraagstukken" me wat hoog gegrepen.
Het valt me op dat in Ad Valvas niet wordt gesproken over een opleiding geestelijk verzorger c.q. boeddhistische ambtopleidingen (ik denk dat meervoudsvorm op z'n plaats is) door de VU in de nabije toekomst. Ik weet niet of de aanvraag al aan Onderwijs gestuurd is; dat zou eind november gebeuren, schreef Artho Jansen maar dat hoeft nog niet zo gebeurd te zijn.
Je weet dat ik over zo'n 'beroepsopleiding' altijd twijfel over heb gehad en nog heb, o.a. doordat het statusproject van een paar beroepsboeddhisten was (die fantasieën over een boeddhistische zuil hadden) en door het gebrek aan transparantie over de procedure, mede doordat de druk van Justitie een grote rol speelt. Maar vooral doordat het niet een organisch gegroeide stap was, daar in Nederland nauwelijk Dharma-studie plaatsvindt. Wat je er hier van breder (en belangeloos) bestuderen van de Dharma door Nederlandse boeddhisten zegt, klinkt veel beter.
Ik hoop dat je vanaf september veel studenten krijgt. En dat je veel gaat schrijven, over boeddhismen.
Tenslotte nog twee lijstjes met onderzoekssuggesties zoals ik die de afgelopen tijd heb opgesteld. Deze en vooral. Wellicht kan je er wat mee, als studieobjecten, voor jezelf of mogelijk voor je studenten.
Je zal het nog druk krijgen die ene dag per week. Mijn voorspelling is dat het je wel meer tijd gaat kosten.
Vriendelijke groet
Joop
De eerdere mail aan hem waarnaar ik verwijs, betrof o.a. zijn boek ‘Nietzsche and Zen’, met name het zich toeeigenen van Nagarjuna door de Zen-traditie. En verder over plannen met mijn blog.
Onder andere schreef ik: “Een andere tekst die ik van plan ben te schrijven op m'n blog gaat (ook) over de dialoog tussen de boeddhistische tradities waarvan jij met mij vindt dat daar - ook op de VU - meer aandacht voor moet komen. Namelijk een samenvatting en misschien stukjes vertaling van David Chapman.
Daarnaast zal ik in m'n blog ook nog wel kritische stukken over het georganiseerde boeddhisme in Nederland moeten schrijven, zolang de BUN nog bestaat in ieder geval; in mijn logika niet zo lang meer.”
André heeft me inmiddels vriendelijk bedankt voor m’n felicitaties en verteld over college-series die hij begin 2012 gaat geven.
Op m’n meer ‘lastige’ opmerkingen heeft hij (nog) niet gereageerd, maar dat zijn thema’s die best wel weer terugkomen, ook in 2012
'Boeddhistische filosofie in dialoog met andere levensbeschouwelijke tradities’ krijgt.
In de persoon van André van der Braak, in boeddhistisch Nederland wel bekend.
Zie hier; en ook op de website van de Faculteit Godgeleerdheid
Prima natuurlijk, die functie-omschrijving, al vind ik wel dat de boeddhisten met die dialoog eerst maar eens moeten oefenen; in dialoog namelijk met elkaar, tussen de diverse boeddhistische tradities, want die ontbreekt grotendeels.
Verder interesseert de boeddhistische filosofie me zeer, daarom heb ik dan ook een paar keer een lezingencyclus van deskundigen zoals Richard Hayes daarover gevolgd. Geïnteresseerden zouden eens het boek Buddhist Philosophy: Essential Readings van Edelglass en Garfield (eds) door kunnen bladeren. (Zie amazon.com en books.google)
Men is immers nooit te oud om te leren; ik in ieder geval niet, al hoef ik geen (boeddhistische) baan meer te hebben.
Het bericht was reden voor mij hem een felicitatie-mailtje te sturen:
Beste André
Een uurtje nadat ik je vanmorgen mailde, las ik op ' Advalvas.vu' van je benoeming tot bijzonder hoogleraar.
Gefeliciteerd daarmee. (En ook Annewieke en de rest van de VU daarmee gefeliciteerd)
De zaken die je, blijkens dit bericht, aan de orde wil gaan stellen, komen me als zeer relevant voor
...
Uiteraard gaan je activiteiten alle boeddhismen betreffen, dus niet alleen Zen, zoals we al eerder hebben besproken. Ik denk dat het 'vroege boeddhisme' aka Theravada niet zo moeilijk voor jou zal zijn om dieper te bestuderen (hoewel ik je laatst op de BOS-radio wat al te makkelijk de term 'BoeddhaNatuur' hoorde gebruiken alsof alle boeddhisten daarin geloven; en verder beveel ik je het werk van David Kalupahana aan) maar het Tibetaans boeddhisme is wellicht wat lastiger om met gezag iets over te zeggen, dat zou het althans voor mij zijn.
"Het boeddhisme wordt steeds populairder in Nederland" zeg je in Ad Valvas. Dat is een cliché; ik denk eigenlijk dat het als hype voorbij is en dat afgezien van geseculariseerde producten als 'mindfulness' weer een serieuzer en dus kleiner aantal beoefenaren gaat krijgen de komende jaren. (Okay, laat ik eerlijk zijn: dat hoop ik)
Wat je zegt over de boeddhistische omroep, is me uit het hart gegrepen, daarom betwijfel ik ook of de fusie VPRO-BOS zo gelukkig is: kan wel eens 'grachtengordelboeddhisme' opleveren.
Goed dat je aandacht gaat besteden aan maatschappelijk-ethische zaken, al lijkt "het oplossen van maatschappelijke vraagstukken" me wat hoog gegrepen.
Het valt me op dat in Ad Valvas niet wordt gesproken over een opleiding geestelijk verzorger c.q. boeddhistische ambtopleidingen (ik denk dat meervoudsvorm op z'n plaats is) door de VU in de nabije toekomst. Ik weet niet of de aanvraag al aan Onderwijs gestuurd is; dat zou eind november gebeuren, schreef Artho Jansen maar dat hoeft nog niet zo gebeurd te zijn.
Je weet dat ik over zo'n 'beroepsopleiding' altijd twijfel over heb gehad en nog heb, o.a. doordat het statusproject van een paar beroepsboeddhisten was (die fantasieën over een boeddhistische zuil hadden) en door het gebrek aan transparantie over de procedure, mede doordat de druk van Justitie een grote rol speelt. Maar vooral doordat het niet een organisch gegroeide stap was, daar in Nederland nauwelijk Dharma-studie plaatsvindt. Wat je er hier van breder (en belangeloos) bestuderen van de Dharma door Nederlandse boeddhisten zegt, klinkt veel beter.
Ik hoop dat je vanaf september veel studenten krijgt. En dat je veel gaat schrijven, over boeddhismen.
Tenslotte nog twee lijstjes met onderzoekssuggesties zoals ik die de afgelopen tijd heb opgesteld. Deze en vooral. Wellicht kan je er wat mee, als studieobjecten, voor jezelf of mogelijk voor je studenten.
Je zal het nog druk krijgen die ene dag per week. Mijn voorspelling is dat het je wel meer tijd gaat kosten.
Vriendelijke groet
Joop
De eerdere mail aan hem waarnaar ik verwijs, betrof o.a. zijn boek ‘Nietzsche and Zen’, met name het zich toeeigenen van Nagarjuna door de Zen-traditie. En verder over plannen met mijn blog.
Onder andere schreef ik: “Een andere tekst die ik van plan ben te schrijven op m'n blog gaat (ook) over de dialoog tussen de boeddhistische tradities waarvan jij met mij vindt dat daar - ook op de VU - meer aandacht voor moet komen. Namelijk een samenvatting en misschien stukjes vertaling van David Chapman.
Daarnaast zal ik in m'n blog ook nog wel kritische stukken over het georganiseerde boeddhisme in Nederland moeten schrijven, zolang de BUN nog bestaat in ieder geval; in mijn logika niet zo lang meer.”
André heeft me inmiddels vriendelijk bedankt voor m’n felicitaties en verteld over college-series die hij begin 2012 gaat geven.
Op m’n meer ‘lastige’ opmerkingen heeft hij (nog) niet gereageerd, maar dat zijn thema’s die best wel weer terugkomen, ook in 2012
maandag 5 december 2011
Hoe gaat het met het boeddhisme in Nederland ?
Af en toe wil ik wel eens naar een lezing over boeddhisme of naar een bijeenkomst van een andere traditie dan de mijne. Dan raadpleeg ik een algemene ´agenda´ op internet van de BUN en Asoka of een specifieke van Simsara en soms ook Bodhitv, of kijk op de websites van een aantal aparte organisaties.
Mijn indruk van de laatste maanden is dat die agenda´s steeds minder activiteiten bevatten.
Nu heb ik een jaar geleden een onderzoekje gedaan, voor mezelf en een paar Dharma-vrienden.
Een verslagje daarvan van 17 januari 2011
Het blijkt dat de Agenda van Asoka en die van de BUN vrijwel steeds dezelfde aankondigingen bevatten, niet omdat men van elkaar overneemt, maar initiatiefnemers - zo is mijn indruk – geven hun activiteit aan beide instanties door.
De rubrieken van Asoka (toen nog website V & L): Bezoek, Lezingen, Retraites, Cursussen en Overig
De rubrieken van de BUN: zelfde rubrieken plus een pagina (met vervolg) met meditatiegroepen
Een vergelijking per rubriek
Bezoek
Zowel BUN als V&L melden maar één bezoek
Lezingen
Beide agenda´s kondigen er twintig aan, van januari tm december, nogal veel die van de St. Bodhisattva en Filosofie Oost en West
Retraites
Beide meer dan dertig (toen ben ik opgehouden te tellen) tm januari 2012
Veel retraites die ook in Simsara staan, in totaal ook meer dan dertig over 2011.
Cursussen
Beide ook weer meer dan dertig, relatief veel meditatie-cursussen (vipassana en Zen)
Overig
Van alles, waaronder veel 'volle maan vieringen' bij de VWBO (nu Triratna), agenda loop tot augustus
Conclusie: ieder meldt z'n activiteit gewoon dubbel aan, bij V&L en bij de BUN
En vipassana-organisaties melden tevens bij Simsara aan. (Zie hier)
De ´Agenda´ van Bodhitv heb ik verleden jaar niet in dit onderzoekje betrokken; maar de indruk is dat aan de formule ervan niet veel is veranderd: geen onderverdeling; veel diverse activiteiten; deels (maar niet allemaal) specifiek interessant voor jongeren; deels niet specifiek boeddhistisch maar breed spiritueel en/of cultureel.
Als ik nu (begin december 2011) opnieuw naar de Agenda´s van BUN en Asoka kijk,
dan is de opbrengst veel kleiner dan een jaar geleden.
Kijk zelf maar, hier en hier.
Mijn indruk is dat dit een weerspiegeling is van een feitelijke vermindering van het aanbod. Daar kan vertekening in optreden: organisaties kunnen andere kanalen kiezen zoals sociale media of gerichte mailings naar verzendlijsten of hebben hun eigen website actiever gemaakt.
Mogelijk is het aantal activiteiten voor de eigen groep niet afgenomen, sommige websites zijn tenminste behoorlijk levendig, maar de meeste zijn sterk intern gericht.
Simsara en waarschijnlijk ook Bodhitv lijken op hetzelfde peil te zijn gebleven.
Maar toch ... Tot een paar jaar geleden organiseerde de Stichting Vrienden van het Boeddhisme (SVB) twee studiedagen per jaar, daarna een paar jaar één (van de SVB overgenomen door Asoka, ik had begrepen permanent maar kennelijk eenmalig) en nu al een tijd helemaal niet meer. Vanuit m´n bemoeizucht gebaseerd op het feit dat ik (kort) bestuurslid van de SVB ben geweest, heb ik het huidige bestuur al eens geadviseerd, zichzelf op te heffen; dat is me niet in dank afgenomen.
Ook de studie-ochtenden georganiseerd door het BUN-bestuur (voorafgaand aan de besloten ledenvergaderingen) zijn verdwenen; al gingen ze wat vaak over boeddhisme en business, dat is toch ook weer een verarming.
Dat brengt me bij de vraag hoe het met boeddhistische organisaties (in Nederland vaak sangha´s genoemd) gaat? Een paar weken geleden kondigde een van de leukere (meer eigenwijze) ervan het stoppen aan: Zeshin van der Plas heeft wegens fysieke redenen moeten besluiten zich terug te trekken als leraar en inhoudelijk leider van de Tempel Suiren-Ji te Leiden. Zeshin gaat zogezegd met ‘pensioen’. Een opvolger van hem is niet gevonden, althans tot op heden.
Het probleem van de opvolging kan wel eens bij meer sangha´s een rol gaan spelen;
bij meerdere is de (hoofd)leraar op leeftijd en bij een aantal daarvan lijkt nooit gewerkt te zijn aan het – noodzakelijk lange – inwerken van een opvolger. Het lijkt een thema waarover niet wordt gesproken.
Ook hebben sommige sangha´s problemen met de huur van hun vaste pand.
Een enkele éénpitter is niet echt verdwenen maar lijkt langzaam fade away te zijn.
Daar staat tegenover dat er ook nieuwe zijn gestart, in ieder geval ken ik er één: Tegen de Stroom In.
Tenslotte wordt de vraag naar de continuïteit van de sangha´s in Nederland bemoeilijk door het feit dat een tamelijk groot deel ervan niet autonoom is maar onderdeel van een organisatie met hoofdkwartier´ (die, is mijn indruk, in sommige gevallen zeer directieve instructies geven aan de onderdelen in Nederland) in Amerika; of Azië. Of met gebruikmaking van een franchise-formule zoals ZenNl.
Dat betekent ook dat de spiritueel leider, de echte leraar, zich vaak niet in Nederland bevindt; de hulpleraren of facilitatoren van de Nederlandse onderdelen hebben dan een beperkte mentale bewegingsvrijheid. Alleen al daarom kan een soort nationale ‘Raad van leraren’, zoals sommigen hebben voorgesteld, nooit wat worden.
Het zou goed zijn als het BUN bestuur – in het kader van de nieuwe transparantie – de resultaten bekend maakt van de door de leden in oktober teruggestuurde lidmaatschapsformulieren, met name de antwoorden op vraag 2c : Aantal betalende leden per 1 januari van dit kalenderjaar; en: Aantal adresssen op dit moment opgenomen in het mail-bestand.
Ik ben ben benieuwd hoe groot het aantal georganiseerde boeddhisten (de som van deze aantallen) nu is; vermoedelijk ergens tussen de vijf- en de tienduizend. Vast niet de achttien duizend die vroeger werd genoemd.
En naast dit alles zijn er duizenden (misschien tienduizenden; nee geen honderduizenden, van die overdrijving zijn we nu toch wel af ?) boeddhisten die thuis, alleen of met een groepje, het boeddhisme beoefenen. Zonder (formele) sangha maar even serieus.
Hoe het dus gaat met het boeddhisme in Nederland, dat weten we niet. Misschien niet zo goed als men een paar jaar geleden nog dacht.
Maar, o paradox, als we aan een boeddhist vragen hoe het met hem of haar gaat, dan is het antwoord meestal: goed.
Eindig ik toch nog positief.
Mijn indruk van de laatste maanden is dat die agenda´s steeds minder activiteiten bevatten.
Nu heb ik een jaar geleden een onderzoekje gedaan, voor mezelf en een paar Dharma-vrienden.
Een verslagje daarvan van 17 januari 2011
Het blijkt dat de Agenda van Asoka en die van de BUN vrijwel steeds dezelfde aankondigingen bevatten, niet omdat men van elkaar overneemt, maar initiatiefnemers - zo is mijn indruk – geven hun activiteit aan beide instanties door.
De rubrieken van Asoka (toen nog website V & L): Bezoek, Lezingen, Retraites, Cursussen en Overig
De rubrieken van de BUN: zelfde rubrieken plus een pagina (met vervolg) met meditatiegroepen
Een vergelijking per rubriek
Bezoek
Zowel BUN als V&L melden maar één bezoek
Lezingen
Beide agenda´s kondigen er twintig aan, van januari tm december, nogal veel die van de St. Bodhisattva en Filosofie Oost en West
Retraites
Beide meer dan dertig (toen ben ik opgehouden te tellen) tm januari 2012
Veel retraites die ook in Simsara staan, in totaal ook meer dan dertig over 2011.
Cursussen
Beide ook weer meer dan dertig, relatief veel meditatie-cursussen (vipassana en Zen)
Overig
Van alles, waaronder veel 'volle maan vieringen' bij de VWBO (nu Triratna), agenda loop tot augustus
Conclusie: ieder meldt z'n activiteit gewoon dubbel aan, bij V&L en bij de BUN
En vipassana-organisaties melden tevens bij Simsara aan. (Zie hier)
De ´Agenda´ van Bodhitv heb ik verleden jaar niet in dit onderzoekje betrokken; maar de indruk is dat aan de formule ervan niet veel is veranderd: geen onderverdeling; veel diverse activiteiten; deels (maar niet allemaal) specifiek interessant voor jongeren; deels niet specifiek boeddhistisch maar breed spiritueel en/of cultureel.
Als ik nu (begin december 2011) opnieuw naar de Agenda´s van BUN en Asoka kijk,
dan is de opbrengst veel kleiner dan een jaar geleden.
Kijk zelf maar, hier en hier.
Mijn indruk is dat dit een weerspiegeling is van een feitelijke vermindering van het aanbod. Daar kan vertekening in optreden: organisaties kunnen andere kanalen kiezen zoals sociale media of gerichte mailings naar verzendlijsten of hebben hun eigen website actiever gemaakt.
Mogelijk is het aantal activiteiten voor de eigen groep niet afgenomen, sommige websites zijn tenminste behoorlijk levendig, maar de meeste zijn sterk intern gericht.
Simsara en waarschijnlijk ook Bodhitv lijken op hetzelfde peil te zijn gebleven.
Maar toch ... Tot een paar jaar geleden organiseerde de Stichting Vrienden van het Boeddhisme (SVB) twee studiedagen per jaar, daarna een paar jaar één (van de SVB overgenomen door Asoka, ik had begrepen permanent maar kennelijk eenmalig) en nu al een tijd helemaal niet meer. Vanuit m´n bemoeizucht gebaseerd op het feit dat ik (kort) bestuurslid van de SVB ben geweest, heb ik het huidige bestuur al eens geadviseerd, zichzelf op te heffen; dat is me niet in dank afgenomen.
Ook de studie-ochtenden georganiseerd door het BUN-bestuur (voorafgaand aan de besloten ledenvergaderingen) zijn verdwenen; al gingen ze wat vaak over boeddhisme en business, dat is toch ook weer een verarming.
Dat brengt me bij de vraag hoe het met boeddhistische organisaties (in Nederland vaak sangha´s genoemd) gaat? Een paar weken geleden kondigde een van de leukere (meer eigenwijze) ervan het stoppen aan: Zeshin van der Plas heeft wegens fysieke redenen moeten besluiten zich terug te trekken als leraar en inhoudelijk leider van de Tempel Suiren-Ji te Leiden. Zeshin gaat zogezegd met ‘pensioen’. Een opvolger van hem is niet gevonden, althans tot op heden.
Het probleem van de opvolging kan wel eens bij meer sangha´s een rol gaan spelen;
bij meerdere is de (hoofd)leraar op leeftijd en bij een aantal daarvan lijkt nooit gewerkt te zijn aan het – noodzakelijk lange – inwerken van een opvolger. Het lijkt een thema waarover niet wordt gesproken.
Ook hebben sommige sangha´s problemen met de huur van hun vaste pand.
Een enkele éénpitter is niet echt verdwenen maar lijkt langzaam fade away te zijn.
Daar staat tegenover dat er ook nieuwe zijn gestart, in ieder geval ken ik er één: Tegen de Stroom In.
Tenslotte wordt de vraag naar de continuïteit van de sangha´s in Nederland bemoeilijk door het feit dat een tamelijk groot deel ervan niet autonoom is maar onderdeel van een organisatie met hoofdkwartier´ (die, is mijn indruk, in sommige gevallen zeer directieve instructies geven aan de onderdelen in Nederland) in Amerika; of Azië. Of met gebruikmaking van een franchise-formule zoals ZenNl.
Dat betekent ook dat de spiritueel leider, de echte leraar, zich vaak niet in Nederland bevindt; de hulpleraren of facilitatoren van de Nederlandse onderdelen hebben dan een beperkte mentale bewegingsvrijheid. Alleen al daarom kan een soort nationale ‘Raad van leraren’, zoals sommigen hebben voorgesteld, nooit wat worden.
Het zou goed zijn als het BUN bestuur – in het kader van de nieuwe transparantie – de resultaten bekend maakt van de door de leden in oktober teruggestuurde lidmaatschapsformulieren, met name de antwoorden op vraag 2c : Aantal betalende leden per 1 januari van dit kalenderjaar; en: Aantal adresssen op dit moment opgenomen in het mail-bestand.
Ik ben ben benieuwd hoe groot het aantal georganiseerde boeddhisten (de som van deze aantallen) nu is; vermoedelijk ergens tussen de vijf- en de tienduizend. Vast niet de achttien duizend die vroeger werd genoemd.
En naast dit alles zijn er duizenden (misschien tienduizenden; nee geen honderduizenden, van die overdrijving zijn we nu toch wel af ?) boeddhisten die thuis, alleen of met een groepje, het boeddhisme beoefenen. Zonder (formele) sangha maar even serieus.
Hoe het dus gaat met het boeddhisme in Nederland, dat weten we niet. Misschien niet zo goed als men een paar jaar geleden nog dacht.
Maar, o paradox, als we aan een boeddhist vragen hoe het met hem of haar gaat, dan is het antwoord meestal: goed.
Eindig ik toch nog positief.
dinsdag 22 november 2011
Twee nieuwe boeken over metta en karuna: Noah Levine en Frits Koster / Jetty Heynekamp
Bij Asoka zijn zeer kort na elkaar twee nieuwe boeken uitgebracht over ‘metta’, het Pali-woord dat meestal als ‘liefdevolle vriendelijkheid’ wordt vertaald. Beide hebben dat woord overigens niet in de titel; dat vind ik jammer, daarover hieronder meer.
Mildheid
Geleide meditatie-oefeningen voor vriendelijkheid en compassie
door Frits Koster en Jetty Heynekamp
isbn: 9789056702687
Een boekje met bijbehorende CD’s; en een website
en
Het hart van de revolutie
Boeddha's radicale lessen over vergeving, compassie en vriendelijkheid
door Noah Levine
isbn: 9789056702762
Dit boek is overigens nog niet uit, ik heb het Engelse origineel (The Heart of the Revolution) gelezen en ga ervan uit dat vertaler Frank Uyttebroeck (website) het getrouw in het Nederlands heeft weergegeven. [Begin december is het inmiddels wel uit; J.R.]
Nadat het uit de Theravada afkomstige ‘vipassana’ de laatste 25 jaar breed bekend en toegepast is geraakt in het geseculariseerde ‘mindfulness’, gaat dat nu met het uit dezelfde bron afkomstige ‘metta’ gebeuren.
Eigenlijk niet alleen met ‘metta’, maar ook met de tweede van de vier Brahmavihara’s: ‘karuna’, meestal vertaald als ‘compassie’ of ‘mededogen’. Zie Wikipedia of de kortere Nederlands versie. Zelf heb ik de contemplaties (wat anders dan meditaties, namelijk een soort diep denken) van Nyanaponika altijd gewaardeerd, al doen ze wat ouderwets aan.
Eerder is bij Asoka al een vergelijkbaar boek uitgekomen:
Liefdevolle vriendelijkheid - Een ander perspectief op geluk door Sharon Salzberg. Hierin komen ook – kort - de laatste twee Brahmavihara’s als meditatievorm aan de orde: mudita (mede-vreugde) en upekkha (gelijkmoedigheid)
Helemaal nieuw is de aandacht voor metta ook weer niet, meer dan vijf jaar geleden gaven Jotika Hermsen en de helaas overleden Khanti Nouwen al retraites met veel oefeningen hiervoor..
Zelf kan ik deze meditatie goed gebruiken, ik ben van nature niet zo liefdevol, eerder wat autistisch en de cosmos (voor minder doe ik het niet) ziend als een vijandige omgeving.
Metta (en karuna) moet je doen, in meditatievorm èn in het dagelijks leven.
Genoemde boeken bieden daar prima instructies voor. Ik ga ze niet samenvatten of verder uitleggen.
De stijl en het taalgebruik is nogal verschillend: de Noord-Nederlandse nuchterheid van Koster en Heynekamp, het pathetische quasi-revolutionaire van Levine en de zelfhulp-stijl voor meer tobberige mensen van Salzberg (oh mijn god, mensen tobbers noemen, ben ik wel mild genoeg?)
Ze zijn alledrie lief, zeker ook het boek van Levine is dat, die cultiveert het ‘ruwe bolster blanke pit’-imago wel wat sterk. En ze zijn praktisch.
De afgelopen weken heb ik nog een andere tekst over metta gelezen, veel revolutionairder voor mij
Namelijk ‘The Buddha’s Positive Values: Love and Compassion’ in ‘What the Buddha Thought’ van Richard Gombrich. (Een andere tekst over dezelfde ontdekking – zo noemt hij het m.i. terecht – van Gombrich is hier te lezen)
De strekking ervan: het ‘zich bevinden' (Brahmavihara’s zijn immers ‘verheven toestanden’) in metta en karuna kan op zichzelf leiden tot het bereiken van nirvana; ‘ontwaken’ noem ik dat bij voorkeur. En dit feit, onderbouwd met teksten uit de Sutta’s, werd in het vroege boeddhisme en wordt bij de huidige Theravada-orthodoxie niet onderkend. Het gaat niet om een negatieve deugd – geen haat en agressiviteit – maar om een positieve. De kritiek van het Mahayana-boeddhisme dat het dat wat nu Theravada heet, ontbreekt aan compassie, dat het egocentrisch is, klopt dus niet.
Metta-meditatie is dus niet zomaar een hulp-methode, ter ondersteuning van ‘echte’ meditatie (vipassana of samatha); of ter afsluiting van een sessie.
Maar het is een eigen methode, direct gericht op kunnen ‘ontwaken’, in dìt leven als ik Gombrich goed begrijp. Langzamerhand denk ik dat ‘metta’ een derde vorm van mediteren genoemd kan worden, naast vipassana en samatha dus, d.w.z. naast gerichtheid op ‘inzicht’ en ‘absorptie’.
Voor mij is vooral de vraag interessant met welk doel men metta beoefent ?
Met een seculier (werelds) doel of soteriologisch (gericht op verlichting/ontwaken) ?
En de vraag: liggen die doelen in elkaar verlengde ? Is het op seculier niveau meer liefdevolle vriendelijkheid hebben een aanzet tot het religieuze doel daarachter ?
Daarover heb ik twijfel, net als bij vipassana ten opzichte van mindfulness, nu ook bij de metta-meditatie.
Geen twijfel mogelijk: metta-beoefening helpt mensen milder en dus gelukkiger te maken, en dat is positief (zover ben ik inmiddels al wel), maar brengt dat het bereiken van het religieuze doel dichterbij? Kan de wens om (binnen samsara) gelukkig te worden, losgelaten worden? Ik hoop het.
Nog milder zou ik worden als iets gedaan wordt met mijn al eerder gedane suggestie dat de therapeuten en coaches die er gebruik van maken in hun werk, een procent van hun omzet storten in een Dhamma-fonds, (‘Boema’ noem ik het, zoals de Buma er is voor muziek-uitvoeringen); tenslotte zijn mindfulness en (geseculariseerde) metta schatplichtig aan het boeddhisme.
Want ik heb twijfel hoe het gaat met het boeddhisme in Nederland als over een jaar of tien deze meditievormen weer uit de mode en uit het therapeutische repertoire zijn verdwenen? Wie kan er dan nog in biblioteken etc tussen alle tientallen zelfhulpteksten het authentieke Theravada-pad terugvinden?
Frits Koster zegt dat (zijn) mildheid-meditatie religie-overstijgend is; dat vind ik een beetje een moeilijk begrip. A-religeus of seculier is wat anders. Als ik ‘religieus’ typeer als: bezig zijn met vragen naar zin van het leven, (en de dood), en bezig zijn met rituelen om er samen iets van te maken, weet ik niet wat religie-overstijgend is. Wat wordt dan overstegen?
Bij Salzberg is het onderscheid seculier-religieus niet goed te maken, het is een soort buddhism-lite.
De boeddhistische wortels krijgen bij Noah Levine meer aandacht; dat vermoed ik althans want de regel die hij zichzelf opgelegd lijkt te hebben, hippe taal (vast een fout woord) te gebruiken, verbloemt juist.
Mildheid
Geleide meditatie-oefeningen voor vriendelijkheid en compassie
door Frits Koster en Jetty Heynekamp
isbn: 9789056702687
Een boekje met bijbehorende CD’s; en een website
en
Het hart van de revolutie
Boeddha's radicale lessen over vergeving, compassie en vriendelijkheid
door Noah Levine
isbn: 9789056702762
Dit boek is overigens nog niet uit, ik heb het Engelse origineel (The Heart of the Revolution) gelezen en ga ervan uit dat vertaler Frank Uyttebroeck (website) het getrouw in het Nederlands heeft weergegeven. [Begin december is het inmiddels wel uit; J.R.]
Nadat het uit de Theravada afkomstige ‘vipassana’ de laatste 25 jaar breed bekend en toegepast is geraakt in het geseculariseerde ‘mindfulness’, gaat dat nu met het uit dezelfde bron afkomstige ‘metta’ gebeuren.
Eigenlijk niet alleen met ‘metta’, maar ook met de tweede van de vier Brahmavihara’s: ‘karuna’, meestal vertaald als ‘compassie’ of ‘mededogen’. Zie Wikipedia of de kortere Nederlands versie. Zelf heb ik de contemplaties (wat anders dan meditaties, namelijk een soort diep denken) van Nyanaponika altijd gewaardeerd, al doen ze wat ouderwets aan.
Eerder is bij Asoka al een vergelijkbaar boek uitgekomen:
Liefdevolle vriendelijkheid - Een ander perspectief op geluk door Sharon Salzberg. Hierin komen ook – kort - de laatste twee Brahmavihara’s als meditatievorm aan de orde: mudita (mede-vreugde) en upekkha (gelijkmoedigheid)
Helemaal nieuw is de aandacht voor metta ook weer niet, meer dan vijf jaar geleden gaven Jotika Hermsen en de helaas overleden Khanti Nouwen al retraites met veel oefeningen hiervoor..
Zelf kan ik deze meditatie goed gebruiken, ik ben van nature niet zo liefdevol, eerder wat autistisch en de cosmos (voor minder doe ik het niet) ziend als een vijandige omgeving.
Metta (en karuna) moet je doen, in meditatievorm èn in het dagelijks leven.
Genoemde boeken bieden daar prima instructies voor. Ik ga ze niet samenvatten of verder uitleggen.
De stijl en het taalgebruik is nogal verschillend: de Noord-Nederlandse nuchterheid van Koster en Heynekamp, het pathetische quasi-revolutionaire van Levine en de zelfhulp-stijl voor meer tobberige mensen van Salzberg (oh mijn god, mensen tobbers noemen, ben ik wel mild genoeg?)
Ze zijn alledrie lief, zeker ook het boek van Levine is dat, die cultiveert het ‘ruwe bolster blanke pit’-imago wel wat sterk. En ze zijn praktisch.
De afgelopen weken heb ik nog een andere tekst over metta gelezen, veel revolutionairder voor mij
Namelijk ‘The Buddha’s Positive Values: Love and Compassion’ in ‘What the Buddha Thought’ van Richard Gombrich. (Een andere tekst over dezelfde ontdekking – zo noemt hij het m.i. terecht – van Gombrich is hier te lezen)
De strekking ervan: het ‘zich bevinden' (Brahmavihara’s zijn immers ‘verheven toestanden’) in metta en karuna kan op zichzelf leiden tot het bereiken van nirvana; ‘ontwaken’ noem ik dat bij voorkeur. En dit feit, onderbouwd met teksten uit de Sutta’s, werd in het vroege boeddhisme en wordt bij de huidige Theravada-orthodoxie niet onderkend. Het gaat niet om een negatieve deugd – geen haat en agressiviteit – maar om een positieve. De kritiek van het Mahayana-boeddhisme dat het dat wat nu Theravada heet, ontbreekt aan compassie, dat het egocentrisch is, klopt dus niet.
Metta-meditatie is dus niet zomaar een hulp-methode, ter ondersteuning van ‘echte’ meditatie (vipassana of samatha); of ter afsluiting van een sessie.
Maar het is een eigen methode, direct gericht op kunnen ‘ontwaken’, in dìt leven als ik Gombrich goed begrijp. Langzamerhand denk ik dat ‘metta’ een derde vorm van mediteren genoemd kan worden, naast vipassana en samatha dus, d.w.z. naast gerichtheid op ‘inzicht’ en ‘absorptie’.
Voor mij is vooral de vraag interessant met welk doel men metta beoefent ?
Met een seculier (werelds) doel of soteriologisch (gericht op verlichting/ontwaken) ?
En de vraag: liggen die doelen in elkaar verlengde ? Is het op seculier niveau meer liefdevolle vriendelijkheid hebben een aanzet tot het religieuze doel daarachter ?
Daarover heb ik twijfel, net als bij vipassana ten opzichte van mindfulness, nu ook bij de metta-meditatie.
Geen twijfel mogelijk: metta-beoefening helpt mensen milder en dus gelukkiger te maken, en dat is positief (zover ben ik inmiddels al wel), maar brengt dat het bereiken van het religieuze doel dichterbij? Kan de wens om (binnen samsara) gelukkig te worden, losgelaten worden? Ik hoop het.
Nog milder zou ik worden als iets gedaan wordt met mijn al eerder gedane suggestie dat de therapeuten en coaches die er gebruik van maken in hun werk, een procent van hun omzet storten in een Dhamma-fonds, (‘Boema’ noem ik het, zoals de Buma er is voor muziek-uitvoeringen); tenslotte zijn mindfulness en (geseculariseerde) metta schatplichtig aan het boeddhisme.
Want ik heb twijfel hoe het gaat met het boeddhisme in Nederland als over een jaar of tien deze meditievormen weer uit de mode en uit het therapeutische repertoire zijn verdwenen? Wie kan er dan nog in biblioteken etc tussen alle tientallen zelfhulpteksten het authentieke Theravada-pad terugvinden?
Frits Koster zegt dat (zijn) mildheid-meditatie religie-overstijgend is; dat vind ik een beetje een moeilijk begrip. A-religeus of seculier is wat anders. Als ik ‘religieus’ typeer als: bezig zijn met vragen naar zin van het leven, (en de dood), en bezig zijn met rituelen om er samen iets van te maken, weet ik niet wat religie-overstijgend is. Wat wordt dan overstegen?
Bij Salzberg is het onderscheid seculier-religieus niet goed te maken, het is een soort buddhism-lite.
De boeddhistische wortels krijgen bij Noah Levine meer aandacht; dat vermoed ik althans want de regel die hij zichzelf opgelegd lijkt te hebben, hippe taal (vast een fout woord) te gebruiken, verbloemt juist.
Labels:
boeddhisme in Nederland,
boeken,
ervaring,
meditatie
vrijdag 18 november 2011
Een uit boeddhisten bestaande programmaraad voor de BOS als imprint van de VPRO
De afgelopen week konden we berichten lezen van de samenwerking tussen de BOS en de VPRO, die – volgens de wens van de minister - bedoeld moet zijn uit te monden in een fusie, of beter gezegd: overname.
Een beetje vreemd daarbij is de opmerking van VPRO-directeur Lennart van der Meulen in www.nu.nl van 14 november: ''We vinden de missie van de BOS te ver weg staan van de VPRO. Het gaat ons een stap te ver om vertegenwoordigers van de Boeddhistische Unie Nederland op te nemen in het VPRO-bestuur.''
Hoe dan ‘de missie van de BOS’, of liever gezegd: de Dharma herkenbaar in de programma’s, gegarandeerd gaat worden, is mij onduidelijk. Reden voor mij daarover – op persoonlijke titel - een brief te schrijven aan de instantie die daarover gaat: het Commissariaat voor de Media.
Hierbij een afschrift.
Amersfoort, 17 november 2011
Geachte dames en heren van het Commissariaat
Deze brief schrijf ik, zoals meer brieven in het verleden aan u, op persoonlijke titel als betrokken boeddhist.
De vraag die ik u hierbij wil stellen is: voldoet de Participatieraad van de Boeddhistische Omroep Stichting (BOS) op dit moment - van samenwerking die vermoedelijk overgaat in fusie met de VPRO - aan de eisen die daaraan gesteld moeten worden als ´onafhankelijke programmaraad´ ?
Een eventuele vervolgvraag is hoe en wanneer het het juiste moment is deze eisen op te leggen?
ToelichtingIn haar brief `Uitwerking regeerakkoord onderdeel media´ van juni 2011 schijft minister Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart op pagina 19:
Het kabinet treft voor de 2.42-omroepen de volgende overgangsregeling. De genootschappen brengen in de huidige erkenningsperiode (2010-2016) hun omroepactiviteiten onder bij een aanverwante omroepvereniging. Voor degene die
geen natuurlijke partner hebben, geldt dat aansluiting bij de NTR verplicht is. Dit betekent dat de omroepactiviteiten opgenomen worden in de organisatie van de omroep of de NTR. De genootschappen houden hun redactionele onafhankelijkheid. Deze kan bijvoorbeeld geborgd worden door een onafhankelijke programmaraad en een redactiestatuut. Het is aan de betrokken partijen om in samenspraak met het Commissariaat voor de Media aan deze verplichting invulling te geven. (vet door mij aangebracht, J.R.)
Hieruit begrijp ik dat reeds nu, bij de huidige vorm van samenwerking tussen BOS en VPRO er zo´n programmaraad dient te zijn die aan uw eisen dient te voldoen. De BUN, het (kerk)genootschap in de zin van art 2.42 Mediawet is geen partij in deze samenwerking, zo lijkt het.
Naar mijn mening voldoet de huidige Participatieraad (PAR) nog niet aan deze eisen.
Hieronder mijn suggesties, uitgaand van het (nog) bestaan van de BOS als rechtspersoon.
In de Statuten van de BOS staat hierover:
Participatie Raad.
Artikel 16.
1. Er is een Participatie Raad. De functie van de Participatie Raad is om, ten behoeve van het directe contact met de stichting, een platform te vormen voor alle boeddhisten in Nederland. De Participatie Raad streeft ernaar een afspiegeling te zijn van de variëteit van de Boeddhistische stromingen en tradities in Nederland.
2. De Participatie Raad adviseert het bestuur gevraagd en ongevraagd.
3. De Participatie Raad heeft tenminste tien en ten hoogste vijfentwintig leden.
4. De Participatie Raad bestaat uit representanten van Boeddhistische stromingen en tradities in Nederland. Deze personen dienen aan de volgende criteria te voldoen: onderschrijving van deze statuten; representatief zijn voor hun stroming/traditie, goed contact hebben met hun stroming/traditie en bereid zijn om dit contact tweezijdig actief vorm te geven; kennis van zaken hebben betreffende hun eigen stroming/traditie.
5. De leden van de Participatie Raad worden, rekeninghoudend met de in dit artikel genoemde criteria, benoemd en ontslagen door de Participatie Raad.
6. De leden van het uitvoerend bestuur zijn aanwezig bij de vergaderingen van de Participatie Raad.
Deze regels dienen te worden aangescherpt, ze zijn in de praktijk veel te vrijblijvend.
A. De onderwerpen waarover het BOS-bestuur verplicht advies moet vragen, moeten worden benoemd (zo is de Zendmachtigingsaanvraag 2010-2015 niet ter advisering aan de PAR voorgelegd).
De PAR in de functie van onafhankelijke programmaraad zal moeten kunnen bewaken dat de omroep zich wat betreft de BOS-uren aan zendtijd beperkt tot de specifiek levensbeschouwelijke (in ons geval dus boeddhistische) taken, zoals het kabinet voorschijft op pag 18 van de brief van de minister.
B. Verder moet worden geregeld op welke wijze het bestuur met de adviezen omgaat: schriftelijk en beargumenteerd.
C. Ook moet de invloed van de “leden van het uitvoerend bestuur “ (lees: de directeur) in de PAR aan banden worden gelegd.
D. Tenslotte moet geregeld worden op welke wijze (met trots gemeld op pag. 4 in de Zendmachtigingsaanvraag 2010-2015 aan het Commissariaat voor de Media maar verder altijd ongenoemd gelaten gehouden) ongeorganiseerde boeddhisten tot de PAR kunnen toetreden. Ik citeer: “...Deze participatieraad staat ook open voor niet-BUN aangesloten boeddhistische centra en bovendien kunnen niet-georganiseerde individuen op uitnodiging zitting nemen in dit adviserende orgaan."
Graag uw mening over deze suggesties
Hoogachtend,
J.W. Romeijn
... (adres)
PS
Ter informatie stuur ik de antwoorden die ik van het ministerie heb gekregen op een tweetal vragen van mij; het antwoord op m'n eerste vraag is eigenlijk een beetje genant; het antwoord op de tweede vraag begrijp ik niet omdat de minister in haar brief aan de Kamer spreekt over een 'overgangsregeling' die dus nu reeds zou moeten gelden.
Uw vragen over Kamerbrief media - kenmerk 329230
Dienstposbus Burgervragen 3-10-2011
Geachte heer Romeijn,
In uw e-mail van 8 september jongstleden, gericht aan de directie Media, geeft u aan dat u in verwarring bent gebracht door een bepaalde passage in de Kamerbrief 'Uitwerking regeerakkoord onderdeel media'. Daarin leest u dat (kerkelijke) genootschappen zelfstandig blijven, maar dat ze wel overeenkomsten met één van de acht toekomstige omroepen moeten sluiten. U vraagt of u deze passage daarmee mee goed hebt geinterpreteerd, want het gaat volgens u niet om een (kerk)genootschap, maar om de door zo'n genootschap gestichte omroep die ondergebracht moet worden.
Daarnaast wilt u weten of de directie van een 2.42-omroep danwel het bestuur van het genootschap in de toekomst de onafhankelijke programmaraad mag invullen.
Om met uw eerste vraag te beginnen; u hebt gelijk. Ik kan mij uw verwarring voorstellen, want de bewuste passage is enigszins ongelukkig geformuleerd. U hebt het dus goed gecorrigeerd, het gaat om de omroepactiviteiten, niet het genootschap zelf..
Uw tweede vraag kan ik helaas nog niet beantwoorden. Op dit moment is de directie Media de Kamerbrief aan het uitwerken in een wetsvoorstel. Die bevat de praktische uitwerking van de grote lijnen in de mediabrief. Het wetsvoorstel zal naar verwachting rond het zomerreces van 2012 naar de Tweede Kamer gestuurd worden. Tegen die tijd zal er dus ook meer duidelijkheid zijn over de invulling van de programmaraden.
Ik hoop dat ik u hiermee voldoende geïnformeerd heb.
Met vriendelijke groet,
Rivka Staudt
afdeling Bestuur en Burger
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Een beetje vreemd daarbij is de opmerking van VPRO-directeur Lennart van der Meulen in www.nu.nl van 14 november: ''We vinden de missie van de BOS te ver weg staan van de VPRO. Het gaat ons een stap te ver om vertegenwoordigers van de Boeddhistische Unie Nederland op te nemen in het VPRO-bestuur.''
Hoe dan ‘de missie van de BOS’, of liever gezegd: de Dharma herkenbaar in de programma’s, gegarandeerd gaat worden, is mij onduidelijk. Reden voor mij daarover – op persoonlijke titel - een brief te schrijven aan de instantie die daarover gaat: het Commissariaat voor de Media.
Hierbij een afschrift.
Amersfoort, 17 november 2011
Geachte dames en heren van het Commissariaat
Deze brief schrijf ik, zoals meer brieven in het verleden aan u, op persoonlijke titel als betrokken boeddhist.
De vraag die ik u hierbij wil stellen is: voldoet de Participatieraad van de Boeddhistische Omroep Stichting (BOS) op dit moment - van samenwerking die vermoedelijk overgaat in fusie met de VPRO - aan de eisen die daaraan gesteld moeten worden als ´onafhankelijke programmaraad´ ?
Een eventuele vervolgvraag is hoe en wanneer het het juiste moment is deze eisen op te leggen?
ToelichtingIn haar brief `Uitwerking regeerakkoord onderdeel media´ van juni 2011 schijft minister Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart op pagina 19:
Het kabinet treft voor de 2.42-omroepen de volgende overgangsregeling. De genootschappen brengen in de huidige erkenningsperiode (2010-2016) hun omroepactiviteiten onder bij een aanverwante omroepvereniging. Voor degene die
geen natuurlijke partner hebben, geldt dat aansluiting bij de NTR verplicht is. Dit betekent dat de omroepactiviteiten opgenomen worden in de organisatie van de omroep of de NTR. De genootschappen houden hun redactionele onafhankelijkheid. Deze kan bijvoorbeeld geborgd worden door een onafhankelijke programmaraad en een redactiestatuut. Het is aan de betrokken partijen om in samenspraak met het Commissariaat voor de Media aan deze verplichting invulling te geven. (vet door mij aangebracht, J.R.)
Hieruit begrijp ik dat reeds nu, bij de huidige vorm van samenwerking tussen BOS en VPRO er zo´n programmaraad dient te zijn die aan uw eisen dient te voldoen. De BUN, het (kerk)genootschap in de zin van art 2.42 Mediawet is geen partij in deze samenwerking, zo lijkt het.
Naar mijn mening voldoet de huidige Participatieraad (PAR) nog niet aan deze eisen.
Hieronder mijn suggesties, uitgaand van het (nog) bestaan van de BOS als rechtspersoon.
In de Statuten van de BOS staat hierover:
Participatie Raad.
Artikel 16.
1. Er is een Participatie Raad. De functie van de Participatie Raad is om, ten behoeve van het directe contact met de stichting, een platform te vormen voor alle boeddhisten in Nederland. De Participatie Raad streeft ernaar een afspiegeling te zijn van de variëteit van de Boeddhistische stromingen en tradities in Nederland.
2. De Participatie Raad adviseert het bestuur gevraagd en ongevraagd.
3. De Participatie Raad heeft tenminste tien en ten hoogste vijfentwintig leden.
4. De Participatie Raad bestaat uit representanten van Boeddhistische stromingen en tradities in Nederland. Deze personen dienen aan de volgende criteria te voldoen: onderschrijving van deze statuten; representatief zijn voor hun stroming/traditie, goed contact hebben met hun stroming/traditie en bereid zijn om dit contact tweezijdig actief vorm te geven; kennis van zaken hebben betreffende hun eigen stroming/traditie.
5. De leden van de Participatie Raad worden, rekeninghoudend met de in dit artikel genoemde criteria, benoemd en ontslagen door de Participatie Raad.
6. De leden van het uitvoerend bestuur zijn aanwezig bij de vergaderingen van de Participatie Raad.
Deze regels dienen te worden aangescherpt, ze zijn in de praktijk veel te vrijblijvend.
A. De onderwerpen waarover het BOS-bestuur verplicht advies moet vragen, moeten worden benoemd (zo is de Zendmachtigingsaanvraag 2010-2015 niet ter advisering aan de PAR voorgelegd).
De PAR in de functie van onafhankelijke programmaraad zal moeten kunnen bewaken dat de omroep zich wat betreft de BOS-uren aan zendtijd beperkt tot de specifiek levensbeschouwelijke (in ons geval dus boeddhistische) taken, zoals het kabinet voorschijft op pag 18 van de brief van de minister.
B. Verder moet worden geregeld op welke wijze het bestuur met de adviezen omgaat: schriftelijk en beargumenteerd.
C. Ook moet de invloed van de “leden van het uitvoerend bestuur “ (lees: de directeur) in de PAR aan banden worden gelegd.
D. Tenslotte moet geregeld worden op welke wijze (met trots gemeld op pag. 4 in de Zendmachtigingsaanvraag 2010-2015 aan het Commissariaat voor de Media maar verder altijd ongenoemd gelaten gehouden) ongeorganiseerde boeddhisten tot de PAR kunnen toetreden. Ik citeer: “...Deze participatieraad staat ook open voor niet-BUN aangesloten boeddhistische centra en bovendien kunnen niet-georganiseerde individuen op uitnodiging zitting nemen in dit adviserende orgaan."
Graag uw mening over deze suggesties
Hoogachtend,
J.W. Romeijn
... (adres)
PS
Ter informatie stuur ik de antwoorden die ik van het ministerie heb gekregen op een tweetal vragen van mij; het antwoord op m'n eerste vraag is eigenlijk een beetje genant; het antwoord op de tweede vraag begrijp ik niet omdat de minister in haar brief aan de Kamer spreekt over een 'overgangsregeling' die dus nu reeds zou moeten gelden.
Uw vragen over Kamerbrief media - kenmerk 329230
Dienstposbus Burgervragen 3-10-2011
Geachte heer Romeijn,
In uw e-mail van 8 september jongstleden, gericht aan de directie Media, geeft u aan dat u in verwarring bent gebracht door een bepaalde passage in de Kamerbrief 'Uitwerking regeerakkoord onderdeel media'. Daarin leest u dat (kerkelijke) genootschappen zelfstandig blijven, maar dat ze wel overeenkomsten met één van de acht toekomstige omroepen moeten sluiten. U vraagt of u deze passage daarmee mee goed hebt geinterpreteerd, want het gaat volgens u niet om een (kerk)genootschap, maar om de door zo'n genootschap gestichte omroep die ondergebracht moet worden.
Daarnaast wilt u weten of de directie van een 2.42-omroep danwel het bestuur van het genootschap in de toekomst de onafhankelijke programmaraad mag invullen.
Om met uw eerste vraag te beginnen; u hebt gelijk. Ik kan mij uw verwarring voorstellen, want de bewuste passage is enigszins ongelukkig geformuleerd. U hebt het dus goed gecorrigeerd, het gaat om de omroepactiviteiten, niet het genootschap zelf..
Uw tweede vraag kan ik helaas nog niet beantwoorden. Op dit moment is de directie Media de Kamerbrief aan het uitwerken in een wetsvoorstel. Die bevat de praktische uitwerking van de grote lijnen in de mediabrief. Het wetsvoorstel zal naar verwachting rond het zomerreces van 2012 naar de Tweede Kamer gestuurd worden. Tegen die tijd zal er dus ook meer duidelijkheid zijn over de invulling van de programmaraden.
Ik hoop dat ik u hiermee voldoende geïnformeerd heb.
Met vriendelijke groet,
Rivka Staudt
afdeling Bestuur en Burger
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Labels:
boeddhisme in Nederland,
BOS,
brieven,
televisieprogramma's
vrijdag 11 november 2011
Het advies 'Boeddhisme als richting' van de Onderwijsraad - en het ontbreken van reacties daarop
Een jaar geleden bracht de Onderwijsraad – het belangrijkste adviesorgaan van de minister van Onderwijs – een advies uit onder de titel ‘Boeddhisme als Richting’. Op basis van dit advies besloot de minister dat er geen boeddhistische basisschool mag komen.
Formeel geldt dit advies wellicht alleen de Onderwijswetten, maar gezien de strekking zullen ook andere overheidsdelen er door geraakt worden, zeker als er van een subsidiererelatie met OC&W sprake is, zoals een boeddhistische ambtsopleiding.
Ik zal de niet-puur-bestuurlijke delen van dit advies samenvatten en er wat kommentaar op geven.
Eerst wil ik er echter m’n verbazing over uitspreken dat het afgelopen jaar geen boeddhist of boeddhistische organisatie op dit advies heeft gereageerd. De strekking immers is dat het boeddhisme in Nederland geen richting is (op basis waarvan een subsidierelatie acceptabel is).
De Mandalaschool heeft wel beroep bij de Raad van State aangetekend tegen het negatieve besluit van de minister maar mijn indruk is dat dat vooral bestuurlijk van aard was en nauwelijks inhoudelijk. Dat beroep is inmiddels – door geldgebrek – ingetrokken (zie hier).
Maar tot een fundamentele weerlegging van het advies voelde kennelijk niemand in Nederland zich geroepen.
Relevante passages uit de samenvatting van het advies (zoals verwoord in pag. 7 en 8)
Dit advies geeft een antwoord op de vraag van de minister van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) of het boeddhisme is te beschouwen als richting, zoals genoemd in de onderwijswetten. De concrete aanleiding vormt het voornemen van de gemeente Amsterdam om een bijzondere basisschool op boeddhistische grondslag
op het gemeentelijk plan van scholen te plaatsen.
De raad hanteert bij de beantwoording een aantal criteria zoals die gevormd zijn in uitspraken van de rechter en in andere raadsadviezen over de richting van (nieuw te stichten) scholen. Beslissende ijkpunten zijn daarbij de vraag of de grondslag die wordt opgevoerd is te beschouwen als godsdienst of levensovertuiging, of er voldoende uitwerking plaatsvindt in de statuten, of er sprake is van een – zoals de rechter het heeft geformuleerd – aan het onderwijs “ten grondslag liggende geestelijke stroming die zich in een binnen Nederland waarneembare beweging openbaart en ook op andere terreinen van het leven doorwerkt” en tot slot of er voldoende draagvlak is.
...
Getoetst aan de criteria is het op de eerste plaats duidelijk dat het boeddhisme een (wereld)godsdienst of levensbeschouwing is. Het boeddhisme kent een zeer gevarieerde invulling. Als de raad het goed ziet is in de beleving van ‘westerse’ boeddhisten eerder sprake van een levensbeschouwing (een wijze van leven) dan een
godsdienst. De raad heeft geen oordeel of het boeddhisme nu als godsdienst of levensbeschouwing is op te vatten; het volstaat dat er voldoende onderscheid is ten opzichte van andere richtingen en dat het niet gaat om een pedagogische stroming.
...
Ten aanzien van het criterium voldoende waarneembare stroming in de Nederlandse samenleving is op te merken dat deze vraag lastig is te beantwoorden, omdat betrouwbare cijfers over het precieze aantal boeddhisten ontbreken. Er bestaan ook geen duidelijke, centraal vastgelegde criteria om uit maken wanneer en op welke
wijze iemand tot het boeddhisme gerekend kan worden (dit is met name een zaak van zelfdefinitie). Omdat de omvang van boeddhistische stroming onduidelijk is, vindt de raad het van belang dat er bestaande instituties zijn voor verschillende activiteiten en leeftijden die wijzen op een bewezen inbedding in de Nederlandse samenleving.
Dit kan als borging worden beschouwd voor de toekomstige continuïteit van activiteiten in het onderwijs (voldoende en blijvende aanwas in leerlingental en in personen betrokken bij het bestuur en de organisatie).
Er is weliswaar sprake van een (kleine) omroep en er zijn enkele geestelijke verzorgers actief in gevangenissen, maar de raad vindt dat onvoldoende om te spreken van ‘een waarneembare stroming’. Er zijn bijvoorbeeld nog geen zelfstandig georganiseerde jongeren-/studentenorganisaties, politieke verbanden of specifieke zorg- of bejaardenvoorzieningen.
...
De raad adviseert de minister het boeddhisme niet te erkennen als richting zoals bedoeld in de WPO. Deze constatering geldt voor dit moment. Het is volgens de raad goed mogelijk dat in de toekomst de conclusies anders kunnen zijn, mits de brede maatschappelijke inbedding, de statuten en het draagvlak voldoende vorm hebben gekregen.
Kommentaar
Veel van wat de Onderwijsraad in dit advies zegt, is voor mij duidelijk:
Dat aantal boeddhisten discussiepunt is, is een understatement. Het aantal geclaimde boeddhisten is in diverse aanvragen de recente tijd veel te hoog geweest: wel vijf tot tien maal te hoog, de strijd daarover is bitter (geweest).
En een groot deel van degenen die boeddhist genoemd kan worden, participeert inderdaad niet in een groep (sangha genoemd), zodat velen niet in een religieus genootschap (een landelijke organisatie) gerepresenteerd worden; het is de vraag of zij dan wel behoefte hebben aan een boeddhistische voorziening, bijvoorbeeld van onderwijs of gezondheidzorg.
Dat er geen zelfstandig georganiseerde jongeren-/studentenorganisaties, politieke verbanden of specifieke zorg- of bejaardenvoorzieningen zijn, vind ik veel minder problematisch. Het boeddhisme is inderdaad geen zuil in de traditionele eerste-helft-twintigste-eeuw-zin; maar: so what ? Die waren er in de boeddhistische Aziatische landen ook niet.
Wel wordt een standpunt van het boeddhisme op actuele politieke en maatschappelijk thema’s soms pijnlijk gemist en ontbreekt er iets als boeddhistische journalistiek.
Het feit dat er geen duidelijke, centraal vastgelegde criteria bestaan om uit maken wanneer en op welke wijze iemand tot het boeddhisme gerekend kan worden, omdat dit is met name een zaak van zelfdefinitie, vind ik geen probleem: ook dit is juist kenmerkend voor het boeddhisme (in Azië).
Veel belangrijker – en slechts indirect in dit advies aan de orde komend – is dat er in Nederland nauwelijks of niet van HET boeddhisme gesproken kan worden. De verschillen tussen de drie grote tradities (Theravada, Zen en Tibetaans boeddhisme) zijn aanzienlijk en daarbinnen zijn er ook weer allerlei varianten. Ik denk dat de verschillen groter zijn dan in andere religies, in Nederland beoefend. Wat daarbij extra compliceert is dat discussie daarover tussen de beoefenareen nauwelijks plaatsvindt: men kent elkaars traditie niet en lijkt er ook niet in geïnteresseerd.
Samengevat: HET boeddhisme in Nederland heeft geen identiteit, is diffuus; dat is voor een individu die een van de vormen ervan beoefent, geen probleem; dat wordt pas een probleem in interactie met de overheid die graag met duidelijke entiteiten om gaat. Het georganiseerde boeddhisme moet met dit dilemma om kunnen gaan.
Mijn conclusie: '
Voordat er weer een aanvraag wordt gedaan bij de overheid voor een boeddhistische voorziening, moet eerst serieus een antwoord op dit advies van de Onderwijsraad geformuleerd en intern bediscussieerd worden.
Joop
Bijlage: inhoudsopgave van het advies
Samenvatting 7
1 Aanleiding, adviesvraag en adviescriteria 9
1.1 Aanleiding en adviesvraag: aanvraag door Stichting Mandalaschool in Amsterdam 9
1.2 Toetsingscriteria: jurisprudentie en eerdere adviezen rond richtingsaanvragen 9
1.3 Opbouw van het advies 10
2 Boeddhisme als stroming in de Nederlandse samenleving 11
2.1 De boeddhistische godsdienst of levensbeschouwing en het perspectief van onderwijs 11
2.2 Aantal boeddhisten in Nederland en boeddhistische organisaties 13
2.3 Erkenning door de overheid 14
3 Toetsing op de richtingscriteria 16
3.1 Toetsing aan de omschrijving van godsdienst of levensbeschouwing 16
3.2 Toetsing van de statutaire grondslag 17
3.3 Toetsing aan het element van voldoende maatschappelijke doorwerking en draagvlak 17
3.4 Conclusie: geen richting als bedoeld in de onderwijswet 18
4 Conclusies en aanbevelingen 19
4.1 Conclusies 19
4.2 Aanbevelingen aan de minister 20
Afkortingen 22
Literatuur 23
Geraadpleegde personen 24
Formeel geldt dit advies wellicht alleen de Onderwijswetten, maar gezien de strekking zullen ook andere overheidsdelen er door geraakt worden, zeker als er van een subsidiererelatie met OC&W sprake is, zoals een boeddhistische ambtsopleiding.
Ik zal de niet-puur-bestuurlijke delen van dit advies samenvatten en er wat kommentaar op geven.
Eerst wil ik er echter m’n verbazing over uitspreken dat het afgelopen jaar geen boeddhist of boeddhistische organisatie op dit advies heeft gereageerd. De strekking immers is dat het boeddhisme in Nederland geen richting is (op basis waarvan een subsidierelatie acceptabel is).
De Mandalaschool heeft wel beroep bij de Raad van State aangetekend tegen het negatieve besluit van de minister maar mijn indruk is dat dat vooral bestuurlijk van aard was en nauwelijks inhoudelijk. Dat beroep is inmiddels – door geldgebrek – ingetrokken (zie hier).
Maar tot een fundamentele weerlegging van het advies voelde kennelijk niemand in Nederland zich geroepen.
Relevante passages uit de samenvatting van het advies (zoals verwoord in pag. 7 en 8)
Dit advies geeft een antwoord op de vraag van de minister van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) of het boeddhisme is te beschouwen als richting, zoals genoemd in de onderwijswetten. De concrete aanleiding vormt het voornemen van de gemeente Amsterdam om een bijzondere basisschool op boeddhistische grondslag
op het gemeentelijk plan van scholen te plaatsen.
De raad hanteert bij de beantwoording een aantal criteria zoals die gevormd zijn in uitspraken van de rechter en in andere raadsadviezen over de richting van (nieuw te stichten) scholen. Beslissende ijkpunten zijn daarbij de vraag of de grondslag die wordt opgevoerd is te beschouwen als godsdienst of levensovertuiging, of er voldoende uitwerking plaatsvindt in de statuten, of er sprake is van een – zoals de rechter het heeft geformuleerd – aan het onderwijs “ten grondslag liggende geestelijke stroming die zich in een binnen Nederland waarneembare beweging openbaart en ook op andere terreinen van het leven doorwerkt” en tot slot of er voldoende draagvlak is.
...
Getoetst aan de criteria is het op de eerste plaats duidelijk dat het boeddhisme een (wereld)godsdienst of levensbeschouwing is. Het boeddhisme kent een zeer gevarieerde invulling. Als de raad het goed ziet is in de beleving van ‘westerse’ boeddhisten eerder sprake van een levensbeschouwing (een wijze van leven) dan een
godsdienst. De raad heeft geen oordeel of het boeddhisme nu als godsdienst of levensbeschouwing is op te vatten; het volstaat dat er voldoende onderscheid is ten opzichte van andere richtingen en dat het niet gaat om een pedagogische stroming.
...
Ten aanzien van het criterium voldoende waarneembare stroming in de Nederlandse samenleving is op te merken dat deze vraag lastig is te beantwoorden, omdat betrouwbare cijfers over het precieze aantal boeddhisten ontbreken. Er bestaan ook geen duidelijke, centraal vastgelegde criteria om uit maken wanneer en op welke
wijze iemand tot het boeddhisme gerekend kan worden (dit is met name een zaak van zelfdefinitie). Omdat de omvang van boeddhistische stroming onduidelijk is, vindt de raad het van belang dat er bestaande instituties zijn voor verschillende activiteiten en leeftijden die wijzen op een bewezen inbedding in de Nederlandse samenleving.
Dit kan als borging worden beschouwd voor de toekomstige continuïteit van activiteiten in het onderwijs (voldoende en blijvende aanwas in leerlingental en in personen betrokken bij het bestuur en de organisatie).
Er is weliswaar sprake van een (kleine) omroep en er zijn enkele geestelijke verzorgers actief in gevangenissen, maar de raad vindt dat onvoldoende om te spreken van ‘een waarneembare stroming’. Er zijn bijvoorbeeld nog geen zelfstandig georganiseerde jongeren-/studentenorganisaties, politieke verbanden of specifieke zorg- of bejaardenvoorzieningen.
...
De raad adviseert de minister het boeddhisme niet te erkennen als richting zoals bedoeld in de WPO. Deze constatering geldt voor dit moment. Het is volgens de raad goed mogelijk dat in de toekomst de conclusies anders kunnen zijn, mits de brede maatschappelijke inbedding, de statuten en het draagvlak voldoende vorm hebben gekregen.
Kommentaar
Veel van wat de Onderwijsraad in dit advies zegt, is voor mij duidelijk:
Dat aantal boeddhisten discussiepunt is, is een understatement. Het aantal geclaimde boeddhisten is in diverse aanvragen de recente tijd veel te hoog geweest: wel vijf tot tien maal te hoog, de strijd daarover is bitter (geweest).
En een groot deel van degenen die boeddhist genoemd kan worden, participeert inderdaad niet in een groep (sangha genoemd), zodat velen niet in een religieus genootschap (een landelijke organisatie) gerepresenteerd worden; het is de vraag of zij dan wel behoefte hebben aan een boeddhistische voorziening, bijvoorbeeld van onderwijs of gezondheidzorg.
Dat er geen zelfstandig georganiseerde jongeren-/studentenorganisaties, politieke verbanden of specifieke zorg- of bejaardenvoorzieningen zijn, vind ik veel minder problematisch. Het boeddhisme is inderdaad geen zuil in de traditionele eerste-helft-twintigste-eeuw-zin; maar: so what ? Die waren er in de boeddhistische Aziatische landen ook niet.
Wel wordt een standpunt van het boeddhisme op actuele politieke en maatschappelijk thema’s soms pijnlijk gemist en ontbreekt er iets als boeddhistische journalistiek.
Het feit dat er geen duidelijke, centraal vastgelegde criteria bestaan om uit maken wanneer en op welke wijze iemand tot het boeddhisme gerekend kan worden, omdat dit is met name een zaak van zelfdefinitie, vind ik geen probleem: ook dit is juist kenmerkend voor het boeddhisme (in Azië).
Veel belangrijker – en slechts indirect in dit advies aan de orde komend – is dat er in Nederland nauwelijks of niet van HET boeddhisme gesproken kan worden. De verschillen tussen de drie grote tradities (Theravada, Zen en Tibetaans boeddhisme) zijn aanzienlijk en daarbinnen zijn er ook weer allerlei varianten. Ik denk dat de verschillen groter zijn dan in andere religies, in Nederland beoefend. Wat daarbij extra compliceert is dat discussie daarover tussen de beoefenareen nauwelijks plaatsvindt: men kent elkaars traditie niet en lijkt er ook niet in geïnteresseerd.
Samengevat: HET boeddhisme in Nederland heeft geen identiteit, is diffuus; dat is voor een individu die een van de vormen ervan beoefent, geen probleem; dat wordt pas een probleem in interactie met de overheid die graag met duidelijke entiteiten om gaat. Het georganiseerde boeddhisme moet met dit dilemma om kunnen gaan.
Mijn conclusie: '
Voordat er weer een aanvraag wordt gedaan bij de overheid voor een boeddhistische voorziening, moet eerst serieus een antwoord op dit advies van de Onderwijsraad geformuleerd en intern bediscussieerd worden.
Joop
Bijlage: inhoudsopgave van het advies
Samenvatting 7
1 Aanleiding, adviesvraag en adviescriteria 9
1.1 Aanleiding en adviesvraag: aanvraag door Stichting Mandalaschool in Amsterdam 9
1.2 Toetsingscriteria: jurisprudentie en eerdere adviezen rond richtingsaanvragen 9
1.3 Opbouw van het advies 10
2 Boeddhisme als stroming in de Nederlandse samenleving 11
2.1 De boeddhistische godsdienst of levensbeschouwing en het perspectief van onderwijs 11
2.2 Aantal boeddhisten in Nederland en boeddhistische organisaties 13
2.3 Erkenning door de overheid 14
3 Toetsing op de richtingscriteria 16
3.1 Toetsing aan de omschrijving van godsdienst of levensbeschouwing 16
3.2 Toetsing van de statutaire grondslag 17
3.3 Toetsing aan het element van voldoende maatschappelijke doorwerking en draagvlak 17
3.4 Conclusie: geen richting als bedoeld in de onderwijswet 18
4 Conclusies en aanbevelingen 19
4.1 Conclusies 19
4.2 Aanbevelingen aan de minister 20
Afkortingen 22
Literatuur 23
Geraadpleegde personen 24
Labels:
boeddhisme in Nederland,
BUN,
geestelijk verzorger,
VU
woensdag 2 november 2011
Monsterverbond
Vooraf
Toen ik een paar weken geleden dit blog weer activeerde heb ik ook wat oude teksten (artikelen en brieven) – van datum van schrijven ervan voorzien – opgenomen. Dat was een klein deel van wat ik geschreven had; het meeste was gedateerd en dus oninteressant geworden.
De kans bestaat dat onderstaand stuk dat over een half jaar ook is; so be it. De reden dat ik het toch ‘publiceer’ is dat er volstrekt geen boeddhistische journalistiek bestaat, slechts heel af en toe, hap en snap, besteden dag- en weekbladen aandacht aan ontwikkelingen in het georganiseerde boeddhisme, en ‘boeddhistische media’zoals BOS en het tijdschrift ‘Boeddha Magazine’ (voorheen ‘Vorm en Leegte’) al helemaal niet. Iemand moet het doen, want openbaarheid is nuttig. En zelf zulke stukken op hun website zetten is bij georganiseerde boeddhisten ook ongebruikelijk.
In de ledenvergadering van de BUN van juni 2011 ging het er heet aan toe. Een voorstel van het bestuur, de relatie met de BOS (Boeddhistische Omroep Stichting) en BZI (Boeddhistische Zendende Instantie, die over geestelijk verzorgers gaat) te herzien, riep heftige weerstand op.
Als oplossing voor het verrezen conflict werd gekozen voor het instellen van een werkgroep.
De voorzitter van de BUN vond het zijn plicht niet te wachten op het resultaat van deze werkgroep, ook gezien de wijze waarop deze geformeerd was (de meeste leden hadden belangen). Hij informeerde het ministerie van Veiligheid en Justitie (die met de BZI te maken heeft) en het Commissariaat van de Media (die toezicht op de BOS houdt) over de ontwikkelingen.
Gevolg was dat er afzettingsprocedure tegen hem gestart werd, de voorzitter trad zelf af en gaf naar aanleiding daarvan een ‘persbericht’ uit (zie www.boeddhistischeomroep.nl/uitzending.aspx?lIntEntityId=1449&lIntType=1&lIntYear=2011 )
De werkgroep heeft eind oktober 2011 een rapport uitgebracht, waarvan ik hieronder een belangrijk deel publiceer. Het rapport wordt zaterdag 5 november tijdens een ledenvergaderingn van de BUN besproken.
Een waarschuwing voor de lezer: in deze rapportage wordt gesproken over “het monsterverbond tussen een aantal ongebonden boeddhisten en enkele sangha’s en de rampzalige gevolgen van hun optreden”
Het zou wel eens kunnen dat de schrijvers mij als één van die monsters beschouwen.
Ik beperk me tot het kommentaar dat het (Nederlandse) boeddhisme niet met oppositie om kan gaan.
Geruststellend is de aanbeveling t.a.v. BUN-bestuursleden “Kies geen mensen in het bestuur die activistisch, gedreven en bevlogen zijn” Ik denk dat de Boeddha niet door de ballotage gekomen zou zijn, en de Dalai Lama of Thich Nhat Hanh ook niet.
Nog eens voor de duidelijkheid: het onderstaande is een citaat.
6.1 Verslag en aanbevelingen interviewgroep
De onafhankelijke leden van de werkgroep Lotusbloem hebben een aantal interviews gehouden met de bedoeling om de spanningen in de BUN te onderzoeken en om mogelijke oplossingsrichtingen te bespreken. Deze hebben plaats gevonden in de maanden juni – september 2011. Ze zijn gehouden door Jan Willem Houthof, Aad Verboom, Matthijs Schouten en Marijke Vulink. Omdat Bert Koopmanschap nog slechts kandidaat bestuurslid was en de capaciteit (ivm vakanties ea) anders onvoldoende zou zijn, is in overleg met de voorzitters van de BUN, BOS en BZI besloten dat hij als voldoende onafhankelijk kan worden beschouwd en derhalve tot dit viertal is toegetreden.
In eerste instantie is ervoor gekozen 9 personen te interviewen. De keuze voor deze personen is gemaakt op grond van hun betrokkenheid recent of in het verleden bij het besturen van BUN en/of BZI en/of BOS Acht van de negen personen zijn geinterviewd. Richard de Jong reageerde tot twee maal toe niet op een uitnodiging en daarna heeft hij zich teruggetrokken als voorzitter. De personen die wel geïnterviewd zijn, zijn Gertjan Mulder (directeur BOS), Andre Kalden (waarnemend voorzitter BUN), Artho Jansen (voorzitter BZI), Varamitra (directeur BZI), Rinus Laban (secretaris BUN), Michel Dingarten (bestuursvoorzitter BOS), Wanda Sluyter en Francisca Boel (voormalig voorzitter BUN). Er is in de werkgroep gesproken over een uitbreiding van het aantal interviews na de 1e ronde, maar binnen het gegeven tijdsbestek bleek dat niet mogelijk. Het lag in de bedoeling van de werkgroep om ook schriftelijke informatie bij de analyse te betrekken. Binnen het gegeven tijdsbestek is dat beperkt gebleven tot het inzien van stukken die door de geinterviewden tijdens het interview getoond werden. In het onderstaande vindt u op hoofdlijnen een overzicht van de informatie uit deze interviews. Om de vertrouwelijkheid van de gesprekken te waarborgen is deze informatie thematisch geordend en vindt er geen verwijzing naar specifieke interviews plaats. Het eerste deel is vooral een beschrijving van de situatie in de zomer van 2011. De delen daarna gaan in op de in het kopje genoemde onderwerpen. Zonder volledig te willen zijn, zijn de verschillende visies die de werkgroep tegenkwam bij deze onderwerpen benoemd en naast elkaar gezet Getracht is om een onderscheid te maken tussen feiten en ervaringen zoals deze uit de interviews naar voren kwamen en aanbevelingen. Deze aanbevelingen worden vervolgens in een apart afsluitend hoofdstuk geresumeerd. Met name deze aanbevelingen zijn vervolgens besproken met de (vice)voorzitters van de 3 organisaties.
De 5 thema’s
Thema 1: De algemene ledenvergadering van 11 juni 2011.
Dit verslag begint met een schets van de situatie die we aantroffen tijdens de ALV van 11 juni jl. Tijdens die ALV is onze commissie ingesteld. Derhalve is dat het startpunt van ons onderzoek. Hoe was m.a.w. de situatie ten tijde van de ALV en wat is daaraan vooraf gegaan?
Na de verkiezing van Richard de Jong als voorzitter van het BUN bestuur heeft hij, meestal samen met de secretaris , diverse gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van BOS en BZI en later met vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie, en het Commissariaat van de Media. Deze gesprekken zijn niet gevoerd op basis van een besluit van de ALV. Ook was ALV hierover niet geïnformeerd. Deze gesprekken zijn daarbij niet vooraf inhoudelijk afgestemd met de BOS. De angst dat die gesprekken schade toegebracht hadden aan (de geloofwaardigheid en het vertrouwen in) BOS en BZI was aanwezig bij een deel van de ALV in juni 2011 en is in de brief aan de ALV door BOS en BZI nadrukkelijk beschreven. Daarnaast heeft het BUN-bestuur voorstellen gedaan aan BOS en BZI waarin de facto werd voorgesteld om de beide stichtingen in hun huidige vorm op te heffen.
Tijdens die ALV verzorgde de voorzitter een presentatie over zijn beleid ten aanzien van BUN, BOS en BZI.
Een ander deel van de leden van de ALV had tijdens de juni vergadering de indruk dat er door BOS en BZI in het verleden onvoldoende openheid was gegeven over hun handelen en dat het noodzakelijk was dat hiertegen actie werd ondernomen, zodat deze informatie bekend zou worden binnen de BUN. Deze wens werd mede ingegeven omdat het al jaren rommelt tussen de diverse BUN-besturen en de BOS.
Er werd daarom besloten niet te stemmen over de voorstellen (zie notulen ALV 11 juni 2011). Unaniemwerd door de ALV besloten tot het instellen van een commissie, waarbij ook vertegenwoordigers van BOS en BZI zouden worden opgenomen. Het BUN bestuur steunde de instelling van een onderzoekscommissie en liet zich daarin vertegenwoordigen door kandidaat bestuurslid Bert Koopmanschap. Expliciet is niet gekozen voor een commissie met externen vanuit de overweging dat een volstrekt onafhankelijke commissie niet samen te stellen zou zijn.
De commissie heeft vervolgens in haar eerste overleg de opdracht uitgewerkt en besloten dat de onafhankelijke leden (dus zonder de vertegenwoordigers van BOS en BZI) de interviewcommissie zouden vormen. Er werd door de volledige commissie besloten dat daartoe ook het kandidaat bestuurslid in het BUN bestuur deel zou nemen.
Thema 2: Verhouding BUN – BOS - BZI
Thema 2 gaat over de oprichting van BOS en BZI vanuit de BUN. Daarbij doet zich het probleem voor dat vanuit een pure vrijwilligersorganisatie als de BUN, met niet betaalde bestuursleden, die veelal dit werk in hun vrije tijd doen,een organisatie voortspruit, waarin betaalde krachten werken, die veelal niet alleen meer tijd hebben, maar ook makkelijker toegang hebben tot informatiebronnen. Dat geeft de nodige wrijvingen tussen de niet-professionele moeder en de professionele en deskundige dochters. Je zou hier ook al aanbevelingen kunnen doen: Enerzijds dient moeder te voorkomen dat ze een leidende rol claimt jegens de dochters, want dat geeft alleen maar irritatie bij de dochters. Anderzijds dienen de dochters respect te tonen naar de moeder en moeder te informeren en consulteren. Daar de moeder een veelal aanzienlijke informatieachterstand heeft t.o.v. de dochters en het door de dochters bestreken veld maar zeer beperkt kan overzien, staat het de dochters overigens zonder meer vrij gemotiveerd van adviezen van de moeder af te wijken. In wezen is het een ragfijn spel, waarin moeder de dochters de ruimte moet geven voor een eigen beleid, en de dochters vanuit respect de moeder informeren en consulteren.
Een thema dat regelmatig terugkwam in de gesprekken was de oprichting van BOS en BZI en de aard van de samenwerking met de BUN.
Zowel de BOS als de BZI zijn ontstaan vanuit de BUN. De andere aard van deze organisaties, nl een ander wettelijke kader en financiering, leidde tot lastige situaties bv tot uiting komend in het ontbreken van ondersteuning van de BUN bestuurders t.o.v. betaalde ondersteuning van de BOS bestuurders.
Vanuit de BOS werd door sommigen in de eerste jaren na de oprichting eenzelfde probleem ervaren nl dat zij een vorm moest vinden voor het andere wettelijk kader dan de BUN met daarbij behorende eisen. Er werd daarom voortvarend gewerkt aan een professionele organisatie met een eigen toezichthouder en een eigen organisatie van de achterban (PAR). Een deel van de ALV ervaarde dat als dat de BOS zich los maakte van de BUN. Zowel van het toezicht van het bestuur als van de ALV. Personen binnen de BOS geven aan dat zij expliciet het contact met de BUN gezocht hebben en daar onvoldoende gehoor kregen.
Eén van de onderwerpen, waarbij het verschil tussen professionele en vrijwillige medewerkers zichtbaar werd, was toen de BOS geconfronteerd werd met acties van de individuele boeddhisten. De BOS vroeg dwingend om steun van het bestuur van de BUN. Ze vroeg om actie van bestuur en ALV van de BUN om deze acties te stoppen. Een situatie waar het BUN bestuur ook last van had en zich niet tegen opgewassen voelde. Over een wijze van aanpak en hoe die eruit zou kunnen zien, is echter nauwelijks gesproken.
Bij het bestuur van de BZI is er verbazing over de aanvankelijke desinteresse voor het werk van de BZI vanuit bestuur en ALV. Anders dan bij de BOS kwam het initiatief voor het aanstellen van Boeddhistisch Geestelijk verzorgers niet van de BUN maar van het Ministerie van Justitie (D.I.) Al vrij snel na de oprichting van een apart bestuur voor de BZI (een verplichting van het ministerie), is met het toenmalige bestuur afgesproken dat het BUN-bestuur tegelijk met de ALV-vergadering zou worden geïnformeerd over de ontwikkelingen binnen de BZI. Feit is dat er verschillende visies zijn over verkregen informatie en in hoeverre die verstrekt is.
Het bestuur van de BUN drong er bij BOS op aan de afgesproken informatieverplichting door beide organisatie na te komen. Er bestaat verschil van mening over in hoeverre dit tot stand gekomen is. Deze situatie versterkte bij de opvolgende besturen van de BUN de twijfels over het functioneren van BOS en BZI t.a.v. de financiële en organisatorische gang van zaken. Specifiek voor de BZI kwam daarbij dat door het bestuur van de BZI initiatieven werden genomen tot het opzetten van een opleiding tot boeddhistisch verzorgen zonder dat het BUN bestuur hierin werd gekend.
Thema 3: Negativiteit
Thema 3 gaat over de negativiteit vanuit de BUN-achterban naar de bestuurders van BUN, BOS en BZI. Het gaat om het monsterverbond tussen een aantal ongebonden boeddhisten en enkele sangha’s en de rampzalige gevolgen van hun optreden. Natuurlijk mag kritiek geuit worden, maar de manier waarop dat is gebeurd ging alle perken te buiten (zoals het bestoken van bestuursleden met mail en telefoon), is zeer schadelijk geweest, heeft vele goedwillende bestuursleden het leven vergald en een effectief bestuur onmogelijk gemaakt. Wat dit betreft kunnen we niet duidelijk genoeg zijn. Er moet gewerkt kunnen worden vanuit positiviteit, en niet vanuit negativiteit.
De negativiteit moet stoppen. Een belangrijke manier waarop het stoppen van de negativiteit gerealiseerd kan worden, is door meer bestuurlijke kracht te tonen: dat zullen de besturen gezamenlijk moeten doen, zonder dat er een wig gevormd wordt door eenlingen, zoals dat in de afgelopen periode is gebeurd. Gezamenlijk moet worden uitgestraald dat de meerderheid van de ALV beslist. Iedereen die zich daar niet aan conformeert diskwalificeert zich om mee te doen aan de besluitvorming. Hierbij dient nog een belangrijk onderscheid gemaakt te worden tussen leden en niet-leden. Leden maken onderdeel uit van het beslissingsproces, niet-leden kunnen alleen informatie krijgen en aan hen dient verder niet onevenredig veel tijd besteed te worden.
Door de betrokken sangha’s en een aantal ongebonden boeddhisten werd steeds beweerd dat het ging om het zuiver boeddhistisch handelen van zowel BOS, BZI en BUN bestuurders. Dat werd door betrokkenen in twijfel getrokken c.q. betwist. Twijfels werden geuit over integriteit.
In sommige interviews werd geopperd dat er een relatie was tussen deze groep en ex voorzitter Richard.
Thema 4: BUN-bestuur
De BUN is een vereniging met sangha’s als leden. Een vereniging dient de belangen van haar leden te behartigen. Dat is de kerntaak van de BUN.
De overheid merkt de BUN aan als de vertegenwoordiger van het boeddhisme, een van de religieuze hoofdstromingen, in Nederland. Het grote aantal aangesloten sangha’s die met elkaar het brede scala aan boeddhistische stromingen vertegenwoordigen, rechtvaardigt dat. Aan ieder van de vertegenwoordigers van de hoofdstromingen, en dus ook aan de BUN, kent de overheid rechten toe. De BUN heeft de uitvoering van die rechten gedelegeerd aan BOS en BZI. Omdat de financiële middelen door de overheid verstrekt worden, dienen BOS en BZI over de besteding van die middelen verantwoording af te leggen aan die overheid.
Anders dan in Duitsland verstrekt de overheid geen gelden aan de moederorganisatie zelf. De BUN heeft dan ook nauwelijks financiële middelen. De BUN is dus enerzijds de peiler waarop BOS en BZI drijven, anderzijds een pure vrijwilligersorganisatie die gezien de minimale financiële middelen geen invulling kan geven aan een leidende rol. Het gebrek aan inzicht in c.q. erkenning van deze situatie en de gevolgen die de verschillen hebben voor activiteiten en verantwoordelijkheden en dus voor onderlinge samenwerking leidt tot talloze complicaties en spanningen. De spanningen ontstaan, omdat de rolverdeling niet duidelijk is en er dientengevolge geen goede afspraken gemaakt zijn tussen BUN en BOS en BUN en BZI.
Zo heeft de overheid op grond van wetgeving de BUN vanuit haar hoedanigheid als vertegenwoordigende koepelorganisatie een positie als zendgemachtigde gegeven. De overheid stelt de BUN daarbij verantwoordelijk voor de delegatie van de operationalisering van die rechten zoals in de wet bedoeld. Het is dus vanuit die door de overheid gegeven positie dat de BUN een eindverantwoordelijkheid draagt m.b.t. de uitvoer van de delegatie-overeenkomst, zowel richting haar achterban (die het ontvangen van die rechten legitimeert) als richting maatschappij (die deze rechten geeft en financiert). Simpelweg stellen dat deze eindverantwoordelijkheid met een delegatie overgedragen is, en dus geheel bij de BOS ligt, is onjuist. Waarover in de loop der tijd discussie is ontstaan tussen BOS en BUN-bestuur is of, en zo ja in welke mate, de BUN als vereniging(eind)verantwoordelijk is voor het feit dat de producten van de BOS binnen het wettelijk kader vallen, en in welke mate het BUN-bestuur (eind)verantwoordelijkheid draagt op operationeel gebied en hoe daar invulling aan te geven. Maar als het om verantwoordelijkheden gaat, dient de BUN te onderkennen, dat zij geen verantwoordelijkheid hoeft te nemen voor de wijze waarop BOS (en BZI) de aan hen gedelegeerde taken uitvoeren. En BOS (en BZI) dienen te beseffen, dat zij de BUN niet verantwoordelijk mogen houden voor zaken waar de BUN geen invloed op kan hebben, gezien haar positie of gezien het ontbreken van middelen. Zolang dat besef ontbreekt, zijn de wrijvingen legio.
Voor wat de relatie met de sangha’s betreft dient het BUN-bestuur zich te realiseren dat ze de taak heeft de belangen van haar leden te behartigen en dat ze niet de dharma tot taak heeft. De BUN dient zich te richten op het bevorderen van de samenhang tussen de sangha’s. De BUN kan een bindend element zijn tussen de sangha’s.
Het bestuur van de BUN kent al jaren een sterke wisseling van bestuursleden en vertegenwoordigers van de leden naar de ALV toe. Bijzonder is het ontstaan en faciliteren van het ontstaan van BOS en BZI. De relatie tussen deze drie organisaties kenmerkt zich al jaren door het praten over rechten en plichten. Noch het elkaar gunnen van een eigen rol noch het vormgeven van samenwerking is door de interviewgroep gesignaleerd.
4.1 Korte schets van de juridische verschillen
De BUN is een vereniging met een ALV en een bestuur, dat alleen uit vrijwilligs bestaat. Het bestuur heeft uitsluitend een statutair recht op vergoeding van de onkosten.
BOS is een stichting gefinancierd door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) met eigen toezichthouders en een eigen organisatie van de achterban (PAR).
De BZI is een stichting met vrijwillige bestuurders, die mensen ‘zendt’ richting het Ministerie van Justitie. Na zending vallen deze mensen voor het overgrote deel onder de verantwoordelijkheid van Justitie en houdt de BZI slechts marginaal toezicht en dan vooral vanuit een boeddhistische invalshoek. Het vrijwillige bestuur krijgt geen onkostenvergoeding. De overige bestuurskosten komen ten laste van de BUN.
Thema 5: De leden, sangha’s en persoonlijke verhoudingen
Zonder draagvlak bij de leden opereert een verenigingsbestuur in het luchtledig. De leden hebben vele wensen, maar zijn niet of onvoldoende bereid gebleken daadwerkelijk aan het werk van de BUN bij te dragen. Enerzijds leidt dit tot een grote beleidsvrijheid van het BUN-bestuur, want ze opereren per slot in een vacuüm. Anderzijds heeft dat het risico dat persoonlijke ambities een exorbitante rol gaan spelen, zonder dat tijdig wordt afgeremd. Door het gebrek aan participatie door de sangha’s is er ook een groot verloop onder de bestuursleden, want als je niet gedragen wordt, valt veelal de animo weg. Betrokkenheid van de leden bij het werk van de BUN is daarmee één van de grote opgaven voor de toekomst.
In meerdere interviews werd de sterke rol van met name de BUN voorzitters genoemd. Ook het rouleren van die BUN bestuursleden naar een functie bij BOS en BZI. Daarbij werd opgemerkt dat in het verleden het aantal actief betrokkenen bij de BUN minimaal was. Het leek daarom voor de hand te liggen en soms zelfs de enige mogelijkheid te zijn voor functies bij BOS en BZI uit dezelfde beperkte groep te kiezen. Door anderen werd ditzelfde feit negatief gewaardeerd.
Meerdere keren kreeg de interviewgroep de indruk dat het bestuurlijk spel tussen BUN, BOS en BZI persoonlijk werd gespeeld met te weinig aandacht voor de functies. Een aantal mensen voelt zich in hun functies persoonlijk beschadigd. Opvallend daarbij is dat de voormalig vrijwillig bestuurders, die een overgang hebben gemaakt naar BOS en BZI nu vanuit die nieuwe positie zich niet lijken te kunnen verplaatsen in de positie van de vrijwillige BUN bestuurders. Of in ieder geval niet tot een goede samenwerkingsrelatie kunnen komen
Binnen de interviewgroep hebben we ons afgevraagd hoe het kan dat mensen elkaar binnen een boeddhistische setting met goede bedoelingen zo kunnen kwetsen. Daarbij zagen we veel idealistische, bevlogen en gepassioneerde mensen.
Sangha´s rekenen de Dharma tot hun taak. Zij zijn voornamelijk naar binnen gericht d.w.z. niet op de maatschappij gericht. De beoefenaars op hun leraar, de leraar op zijn leerlingen. De BUN is gericht op de samenhang tussen de sangha´s en naar buiten op de maatschappelijke taken.
Als aandachtsgebieden voor de BUN zijn bijvoorbeeld te onderscheiden:
* BOS
* BZI
* Interreligieuze contacten
* Opleidingen en Scholen
* Hospice
De non participatie van leraren m.b.t. het bestaan en het functioneren van de BUN werd door enkelen als een risico gezien. Dit is één van de factoren waardoor het BUN bestuur los kan gaan functioneren van de sangha´s. Van belang is dat de ALV leden de band met de sangha’s kunnen versterken dan wel verzwakken. Borging van het contact met de sangha´s garandeert een bestuur dat namens de sangha’s opereert. Gevaar is anders dat voorzitters hun eigen koers bepalen. Een aantal voorzitters heeft geprobeerd dit contact met de sangha’s te organiseren. Wij kunnen alleen maar vaststellen dat dit niet is gelukt. Het zou aanbeveling verdienen als ook de leraren zich minder exclusief op hun eigen sangha richten, en meer verantwoording zouden nemen voor de samenhang van de diverse sangha’s en voor de ontwikkeling van het boeddhisme in Nederland als geheel.
Als BUN zijn we nog niet volgroeid. De BUN zou meer een platform kunnen zijn voor het uitwisselen van ervaringen tussen de sangha´s. Het is bijzonder dat stromingen met elkaar in contact komen. En elkaar weer ontmoeten.
In die zin worden de ervaringen van de afgelopen jaren door de commissie gezien als mogelijke groeistuipen. Die doen pijn. Geconstateerd wordt een groot verantwoordelijkheidsgevoel bij alle betrokkenen. Van daaruit werd steeds meer tijd gestoken is diverse onderwerpen, niet altijd met een positief resultaat.
Tot slot geven wij aan, en dan zijn we al flink in de richting van aanbevelingen terecht gekomen, welke competenties we zien als noodzakelijk voor BUN bestuurders:
Bestuurlijke ervaring, laat weten welke toekomstvisie je hebt, communicatieve vaardigheden, verbindend, motiverend. Evenwichtig, loyaliteit, gemotiveerd maar niet bevlogen.
Aanbevelingen
Aanbeveling 1: Selecteer bestuurders op bestuurlijke vaardigheid, loyaliteit, evenwichtigheid en communicatieve eigenschappen.
Aanbeveling 2: Kies geen mensen in het bestuur die activistisch, gedreven en bevlogen zijn. Die eigenschappen – hoe verdienstelijk op zich ook - verstoren het delicate evenwicht tussen algemeen en deelbelang, tussen bestuur en leden en tussen besturen en uitvoering.
Aanbeveling 3: Formeer een commissie van leraren aan wie periodiek vragen door BUN, BOS en BZI worden voorgelegd over actuele maatschappelijke kwesties. Die kwesties kunnen betrekking hebben op politiek en ethische onderwerpen, maar dienen met name gericht te zijn op verbetering van de onderlinge samenwerking tussen de sangha’s en op verbetering van de communicatie tussen de sangha’s en BUN, BOS en BZI.
Aanbeveling 4: De leraren zullen in hun sangha’s meer aandacht vragen voor de onderlinge samenwerking tussen de sangha’s en zullen nagaan welke sanghaleden een bijdrage zouden kunnen leveren aan bestuurs- dan wel uitvoeringstaken op landelijk niveau.
Aanbeveling 5: De leraren zullen er op toezien, dat bestuursleden de sangha op de ALV vertegenwoordigen.
Aanbeveling 6: De sangha’s zeggen hun steun toe aan het bestuur van de BUN. In geval van negatieve kritiek zal de leraar daarover met de sanghaleden in gesprek gaan. Als de leraar van oordeel is dat de kritiek een kern van waarheid lijkt te hebben zal hij/zij daarover contact opnemen met leden van het bestuur van de BUN om navraag te doen en tot een open vorm van communicatie te komen.
Aanbeveling 7: Het verdient aanbeveling afspraken te maken over de wijze van communicatie tussen de besturen van BUN, BOS en BZI. Voor welke zaken kan email worden ingezet? Wanneer verdient het aanbeveling om de telefoon te pakken? Welke kwesties verdienen een gesprek onder vier ogen? En in welke gevallen verdient het aanbeveling dat besturen met elkaar om de tafel gaan zitten?
Aanbeveling 8: Stel een communicatieplan op over de wijze van communiceren met de pers in geval van negatieve uitingen in de pers.
Aanbeveling 9: Informatie. BOS en BZI informeren het BUN-bestuur periodiek volgens een door BUN, BOS en BZI nader uit te werken schema. BOS en BZI informeren voorts de ALV over het voorgenomen beleid op de voorjaarsvergadering, en over het gevoerde beleid op de najaarsvergadering.
Aanbeveling 10: Consultatie. BOS en BZI consulteren het BUN-bestuur over voorgenomen plannen tot fusie, relevante beleidsaanpassingen en benoemingen.
Aanbeveling 11: Participatie. De voorzitter van de Participatieraad van de BOS wordt door het BUN-bestuur benoemd na consultatie van het BOS-bestuur. De leden van de Participatieraad worden door het BOS-bestuur benoemd na consultatie van het BUN-bestuur. De voorzitter van de Participatieraad heeft geen zitting in het BOS-bestuur.
Aanbeveling 12: Begrensde autonomie. De besturen van BOS en BZI zijn autonoom. Afgezien van informatie, consultatie en participatie als voornoemd bepalen zij op welke wijze hun organisaties bestuurd worden. Bij afwijking van adviezen van bestuur dan wel ALV van de BUN wordt die afwijking gemotiveerd in het jaarverslag.
Aanbeveling 13: Overigens is het hierbij van belang om een onderscheid te maken tussen negativiteit bij leden en bij niet-leden.
Het is aan het BUN-bestuur om de BUN als koepelorganisatie te besturen binnen de kaders die de ALV daarvoor aangeeft. Daarbij is het onder meer de verantwoordelijkheid van het BUN-bestuur toe te zien op de invulling van de overeenkomsten die zij met derde partijen namens de ALV sluit. Dit toezicht dient plaats te vinden op een wijze waarin de ALV zich kan herkennen.
Waarin het bestuur zich realiseert dat het streven naar het zuiver handelen en andere belangrijke uitgangspunten van het Boeddhisme in onze gezamenlijke beoefening zich per definitie niet laten vertalen naar een organisatie of de samenwerking tussen organisatie.
Toen ik een paar weken geleden dit blog weer activeerde heb ik ook wat oude teksten (artikelen en brieven) – van datum van schrijven ervan voorzien – opgenomen. Dat was een klein deel van wat ik geschreven had; het meeste was gedateerd en dus oninteressant geworden.
De kans bestaat dat onderstaand stuk dat over een half jaar ook is; so be it. De reden dat ik het toch ‘publiceer’ is dat er volstrekt geen boeddhistische journalistiek bestaat, slechts heel af en toe, hap en snap, besteden dag- en weekbladen aandacht aan ontwikkelingen in het georganiseerde boeddhisme, en ‘boeddhistische media’zoals BOS en het tijdschrift ‘Boeddha Magazine’ (voorheen ‘Vorm en Leegte’) al helemaal niet. Iemand moet het doen, want openbaarheid is nuttig. En zelf zulke stukken op hun website zetten is bij georganiseerde boeddhisten ook ongebruikelijk.
In de ledenvergadering van de BUN van juni 2011 ging het er heet aan toe. Een voorstel van het bestuur, de relatie met de BOS (Boeddhistische Omroep Stichting) en BZI (Boeddhistische Zendende Instantie, die over geestelijk verzorgers gaat) te herzien, riep heftige weerstand op.
Als oplossing voor het verrezen conflict werd gekozen voor het instellen van een werkgroep.
De voorzitter van de BUN vond het zijn plicht niet te wachten op het resultaat van deze werkgroep, ook gezien de wijze waarop deze geformeerd was (de meeste leden hadden belangen). Hij informeerde het ministerie van Veiligheid en Justitie (die met de BZI te maken heeft) en het Commissariaat van de Media (die toezicht op de BOS houdt) over de ontwikkelingen.
Gevolg was dat er afzettingsprocedure tegen hem gestart werd, de voorzitter trad zelf af en gaf naar aanleiding daarvan een ‘persbericht’ uit (zie www.boeddhistischeomroep.nl/uitzending.aspx?lIntEntityId=1449&lIntType=1&lIntYear=2011 )
De werkgroep heeft eind oktober 2011 een rapport uitgebracht, waarvan ik hieronder een belangrijk deel publiceer. Het rapport wordt zaterdag 5 november tijdens een ledenvergaderingn van de BUN besproken.
Een waarschuwing voor de lezer: in deze rapportage wordt gesproken over “het monsterverbond tussen een aantal ongebonden boeddhisten en enkele sangha’s en de rampzalige gevolgen van hun optreden”
Het zou wel eens kunnen dat de schrijvers mij als één van die monsters beschouwen.
Ik beperk me tot het kommentaar dat het (Nederlandse) boeddhisme niet met oppositie om kan gaan.
Geruststellend is de aanbeveling t.a.v. BUN-bestuursleden “Kies geen mensen in het bestuur die activistisch, gedreven en bevlogen zijn” Ik denk dat de Boeddha niet door de ballotage gekomen zou zijn, en de Dalai Lama of Thich Nhat Hanh ook niet.
Nog eens voor de duidelijkheid: het onderstaande is een citaat.
6.1 Verslag en aanbevelingen interviewgroep
De onafhankelijke leden van de werkgroep Lotusbloem hebben een aantal interviews gehouden met de bedoeling om de spanningen in de BUN te onderzoeken en om mogelijke oplossingsrichtingen te bespreken. Deze hebben plaats gevonden in de maanden juni – september 2011. Ze zijn gehouden door Jan Willem Houthof, Aad Verboom, Matthijs Schouten en Marijke Vulink. Omdat Bert Koopmanschap nog slechts kandidaat bestuurslid was en de capaciteit (ivm vakanties ea) anders onvoldoende zou zijn, is in overleg met de voorzitters van de BUN, BOS en BZI besloten dat hij als voldoende onafhankelijk kan worden beschouwd en derhalve tot dit viertal is toegetreden.
In eerste instantie is ervoor gekozen 9 personen te interviewen. De keuze voor deze personen is gemaakt op grond van hun betrokkenheid recent of in het verleden bij het besturen van BUN en/of BZI en/of BOS Acht van de negen personen zijn geinterviewd. Richard de Jong reageerde tot twee maal toe niet op een uitnodiging en daarna heeft hij zich teruggetrokken als voorzitter. De personen die wel geïnterviewd zijn, zijn Gertjan Mulder (directeur BOS), Andre Kalden (waarnemend voorzitter BUN), Artho Jansen (voorzitter BZI), Varamitra (directeur BZI), Rinus Laban (secretaris BUN), Michel Dingarten (bestuursvoorzitter BOS), Wanda Sluyter en Francisca Boel (voormalig voorzitter BUN). Er is in de werkgroep gesproken over een uitbreiding van het aantal interviews na de 1e ronde, maar binnen het gegeven tijdsbestek bleek dat niet mogelijk. Het lag in de bedoeling van de werkgroep om ook schriftelijke informatie bij de analyse te betrekken. Binnen het gegeven tijdsbestek is dat beperkt gebleven tot het inzien van stukken die door de geinterviewden tijdens het interview getoond werden. In het onderstaande vindt u op hoofdlijnen een overzicht van de informatie uit deze interviews. Om de vertrouwelijkheid van de gesprekken te waarborgen is deze informatie thematisch geordend en vindt er geen verwijzing naar specifieke interviews plaats. Het eerste deel is vooral een beschrijving van de situatie in de zomer van 2011. De delen daarna gaan in op de in het kopje genoemde onderwerpen. Zonder volledig te willen zijn, zijn de verschillende visies die de werkgroep tegenkwam bij deze onderwerpen benoemd en naast elkaar gezet Getracht is om een onderscheid te maken tussen feiten en ervaringen zoals deze uit de interviews naar voren kwamen en aanbevelingen. Deze aanbevelingen worden vervolgens in een apart afsluitend hoofdstuk geresumeerd. Met name deze aanbevelingen zijn vervolgens besproken met de (vice)voorzitters van de 3 organisaties.
De 5 thema’s
Thema 1: De algemene ledenvergadering van 11 juni 2011.
Dit verslag begint met een schets van de situatie die we aantroffen tijdens de ALV van 11 juni jl. Tijdens die ALV is onze commissie ingesteld. Derhalve is dat het startpunt van ons onderzoek. Hoe was m.a.w. de situatie ten tijde van de ALV en wat is daaraan vooraf gegaan?
Na de verkiezing van Richard de Jong als voorzitter van het BUN bestuur heeft hij, meestal samen met de secretaris , diverse gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van BOS en BZI en later met vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie, en het Commissariaat van de Media. Deze gesprekken zijn niet gevoerd op basis van een besluit van de ALV. Ook was ALV hierover niet geïnformeerd. Deze gesprekken zijn daarbij niet vooraf inhoudelijk afgestemd met de BOS. De angst dat die gesprekken schade toegebracht hadden aan (de geloofwaardigheid en het vertrouwen in) BOS en BZI was aanwezig bij een deel van de ALV in juni 2011 en is in de brief aan de ALV door BOS en BZI nadrukkelijk beschreven. Daarnaast heeft het BUN-bestuur voorstellen gedaan aan BOS en BZI waarin de facto werd voorgesteld om de beide stichtingen in hun huidige vorm op te heffen.
Tijdens die ALV verzorgde de voorzitter een presentatie over zijn beleid ten aanzien van BUN, BOS en BZI.
Een ander deel van de leden van de ALV had tijdens de juni vergadering de indruk dat er door BOS en BZI in het verleden onvoldoende openheid was gegeven over hun handelen en dat het noodzakelijk was dat hiertegen actie werd ondernomen, zodat deze informatie bekend zou worden binnen de BUN. Deze wens werd mede ingegeven omdat het al jaren rommelt tussen de diverse BUN-besturen en de BOS.
Er werd daarom besloten niet te stemmen over de voorstellen (zie notulen ALV 11 juni 2011). Unaniemwerd door de ALV besloten tot het instellen van een commissie, waarbij ook vertegenwoordigers van BOS en BZI zouden worden opgenomen. Het BUN bestuur steunde de instelling van een onderzoekscommissie en liet zich daarin vertegenwoordigen door kandidaat bestuurslid Bert Koopmanschap. Expliciet is niet gekozen voor een commissie met externen vanuit de overweging dat een volstrekt onafhankelijke commissie niet samen te stellen zou zijn.
De commissie heeft vervolgens in haar eerste overleg de opdracht uitgewerkt en besloten dat de onafhankelijke leden (dus zonder de vertegenwoordigers van BOS en BZI) de interviewcommissie zouden vormen. Er werd door de volledige commissie besloten dat daartoe ook het kandidaat bestuurslid in het BUN bestuur deel zou nemen.
Thema 2: Verhouding BUN – BOS - BZI
Thema 2 gaat over de oprichting van BOS en BZI vanuit de BUN. Daarbij doet zich het probleem voor dat vanuit een pure vrijwilligersorganisatie als de BUN, met niet betaalde bestuursleden, die veelal dit werk in hun vrije tijd doen,een organisatie voortspruit, waarin betaalde krachten werken, die veelal niet alleen meer tijd hebben, maar ook makkelijker toegang hebben tot informatiebronnen. Dat geeft de nodige wrijvingen tussen de niet-professionele moeder en de professionele en deskundige dochters. Je zou hier ook al aanbevelingen kunnen doen: Enerzijds dient moeder te voorkomen dat ze een leidende rol claimt jegens de dochters, want dat geeft alleen maar irritatie bij de dochters. Anderzijds dienen de dochters respect te tonen naar de moeder en moeder te informeren en consulteren. Daar de moeder een veelal aanzienlijke informatieachterstand heeft t.o.v. de dochters en het door de dochters bestreken veld maar zeer beperkt kan overzien, staat het de dochters overigens zonder meer vrij gemotiveerd van adviezen van de moeder af te wijken. In wezen is het een ragfijn spel, waarin moeder de dochters de ruimte moet geven voor een eigen beleid, en de dochters vanuit respect de moeder informeren en consulteren.
Een thema dat regelmatig terugkwam in de gesprekken was de oprichting van BOS en BZI en de aard van de samenwerking met de BUN.
Zowel de BOS als de BZI zijn ontstaan vanuit de BUN. De andere aard van deze organisaties, nl een ander wettelijke kader en financiering, leidde tot lastige situaties bv tot uiting komend in het ontbreken van ondersteuning van de BUN bestuurders t.o.v. betaalde ondersteuning van de BOS bestuurders.
Vanuit de BOS werd door sommigen in de eerste jaren na de oprichting eenzelfde probleem ervaren nl dat zij een vorm moest vinden voor het andere wettelijk kader dan de BUN met daarbij behorende eisen. Er werd daarom voortvarend gewerkt aan een professionele organisatie met een eigen toezichthouder en een eigen organisatie van de achterban (PAR). Een deel van de ALV ervaarde dat als dat de BOS zich los maakte van de BUN. Zowel van het toezicht van het bestuur als van de ALV. Personen binnen de BOS geven aan dat zij expliciet het contact met de BUN gezocht hebben en daar onvoldoende gehoor kregen.
Eén van de onderwerpen, waarbij het verschil tussen professionele en vrijwillige medewerkers zichtbaar werd, was toen de BOS geconfronteerd werd met acties van de individuele boeddhisten. De BOS vroeg dwingend om steun van het bestuur van de BUN. Ze vroeg om actie van bestuur en ALV van de BUN om deze acties te stoppen. Een situatie waar het BUN bestuur ook last van had en zich niet tegen opgewassen voelde. Over een wijze van aanpak en hoe die eruit zou kunnen zien, is echter nauwelijks gesproken.
Bij het bestuur van de BZI is er verbazing over de aanvankelijke desinteresse voor het werk van de BZI vanuit bestuur en ALV. Anders dan bij de BOS kwam het initiatief voor het aanstellen van Boeddhistisch Geestelijk verzorgers niet van de BUN maar van het Ministerie van Justitie (D.I.) Al vrij snel na de oprichting van een apart bestuur voor de BZI (een verplichting van het ministerie), is met het toenmalige bestuur afgesproken dat het BUN-bestuur tegelijk met de ALV-vergadering zou worden geïnformeerd over de ontwikkelingen binnen de BZI. Feit is dat er verschillende visies zijn over verkregen informatie en in hoeverre die verstrekt is.
Het bestuur van de BUN drong er bij BOS op aan de afgesproken informatieverplichting door beide organisatie na te komen. Er bestaat verschil van mening over in hoeverre dit tot stand gekomen is. Deze situatie versterkte bij de opvolgende besturen van de BUN de twijfels over het functioneren van BOS en BZI t.a.v. de financiële en organisatorische gang van zaken. Specifiek voor de BZI kwam daarbij dat door het bestuur van de BZI initiatieven werden genomen tot het opzetten van een opleiding tot boeddhistisch verzorgen zonder dat het BUN bestuur hierin werd gekend.
Thema 3: Negativiteit
Thema 3 gaat over de negativiteit vanuit de BUN-achterban naar de bestuurders van BUN, BOS en BZI. Het gaat om het monsterverbond tussen een aantal ongebonden boeddhisten en enkele sangha’s en de rampzalige gevolgen van hun optreden. Natuurlijk mag kritiek geuit worden, maar de manier waarop dat is gebeurd ging alle perken te buiten (zoals het bestoken van bestuursleden met mail en telefoon), is zeer schadelijk geweest, heeft vele goedwillende bestuursleden het leven vergald en een effectief bestuur onmogelijk gemaakt. Wat dit betreft kunnen we niet duidelijk genoeg zijn. Er moet gewerkt kunnen worden vanuit positiviteit, en niet vanuit negativiteit.
De negativiteit moet stoppen. Een belangrijke manier waarop het stoppen van de negativiteit gerealiseerd kan worden, is door meer bestuurlijke kracht te tonen: dat zullen de besturen gezamenlijk moeten doen, zonder dat er een wig gevormd wordt door eenlingen, zoals dat in de afgelopen periode is gebeurd. Gezamenlijk moet worden uitgestraald dat de meerderheid van de ALV beslist. Iedereen die zich daar niet aan conformeert diskwalificeert zich om mee te doen aan de besluitvorming. Hierbij dient nog een belangrijk onderscheid gemaakt te worden tussen leden en niet-leden. Leden maken onderdeel uit van het beslissingsproces, niet-leden kunnen alleen informatie krijgen en aan hen dient verder niet onevenredig veel tijd besteed te worden.
Door de betrokken sangha’s en een aantal ongebonden boeddhisten werd steeds beweerd dat het ging om het zuiver boeddhistisch handelen van zowel BOS, BZI en BUN bestuurders. Dat werd door betrokkenen in twijfel getrokken c.q. betwist. Twijfels werden geuit over integriteit.
In sommige interviews werd geopperd dat er een relatie was tussen deze groep en ex voorzitter Richard.
Thema 4: BUN-bestuur
De BUN is een vereniging met sangha’s als leden. Een vereniging dient de belangen van haar leden te behartigen. Dat is de kerntaak van de BUN.
De overheid merkt de BUN aan als de vertegenwoordiger van het boeddhisme, een van de religieuze hoofdstromingen, in Nederland. Het grote aantal aangesloten sangha’s die met elkaar het brede scala aan boeddhistische stromingen vertegenwoordigen, rechtvaardigt dat. Aan ieder van de vertegenwoordigers van de hoofdstromingen, en dus ook aan de BUN, kent de overheid rechten toe. De BUN heeft de uitvoering van die rechten gedelegeerd aan BOS en BZI. Omdat de financiële middelen door de overheid verstrekt worden, dienen BOS en BZI over de besteding van die middelen verantwoording af te leggen aan die overheid.
Anders dan in Duitsland verstrekt de overheid geen gelden aan de moederorganisatie zelf. De BUN heeft dan ook nauwelijks financiële middelen. De BUN is dus enerzijds de peiler waarop BOS en BZI drijven, anderzijds een pure vrijwilligersorganisatie die gezien de minimale financiële middelen geen invulling kan geven aan een leidende rol. Het gebrek aan inzicht in c.q. erkenning van deze situatie en de gevolgen die de verschillen hebben voor activiteiten en verantwoordelijkheden en dus voor onderlinge samenwerking leidt tot talloze complicaties en spanningen. De spanningen ontstaan, omdat de rolverdeling niet duidelijk is en er dientengevolge geen goede afspraken gemaakt zijn tussen BUN en BOS en BUN en BZI.
Zo heeft de overheid op grond van wetgeving de BUN vanuit haar hoedanigheid als vertegenwoordigende koepelorganisatie een positie als zendgemachtigde gegeven. De overheid stelt de BUN daarbij verantwoordelijk voor de delegatie van de operationalisering van die rechten zoals in de wet bedoeld. Het is dus vanuit die door de overheid gegeven positie dat de BUN een eindverantwoordelijkheid draagt m.b.t. de uitvoer van de delegatie-overeenkomst, zowel richting haar achterban (die het ontvangen van die rechten legitimeert) als richting maatschappij (die deze rechten geeft en financiert). Simpelweg stellen dat deze eindverantwoordelijkheid met een delegatie overgedragen is, en dus geheel bij de BOS ligt, is onjuist. Waarover in de loop der tijd discussie is ontstaan tussen BOS en BUN-bestuur is of, en zo ja in welke mate, de BUN als vereniging(eind)verantwoordelijk is voor het feit dat de producten van de BOS binnen het wettelijk kader vallen, en in welke mate het BUN-bestuur (eind)verantwoordelijkheid draagt op operationeel gebied en hoe daar invulling aan te geven. Maar als het om verantwoordelijkheden gaat, dient de BUN te onderkennen, dat zij geen verantwoordelijkheid hoeft te nemen voor de wijze waarop BOS (en BZI) de aan hen gedelegeerde taken uitvoeren. En BOS (en BZI) dienen te beseffen, dat zij de BUN niet verantwoordelijk mogen houden voor zaken waar de BUN geen invloed op kan hebben, gezien haar positie of gezien het ontbreken van middelen. Zolang dat besef ontbreekt, zijn de wrijvingen legio.
Voor wat de relatie met de sangha’s betreft dient het BUN-bestuur zich te realiseren dat ze de taak heeft de belangen van haar leden te behartigen en dat ze niet de dharma tot taak heeft. De BUN dient zich te richten op het bevorderen van de samenhang tussen de sangha’s. De BUN kan een bindend element zijn tussen de sangha’s.
Het bestuur van de BUN kent al jaren een sterke wisseling van bestuursleden en vertegenwoordigers van de leden naar de ALV toe. Bijzonder is het ontstaan en faciliteren van het ontstaan van BOS en BZI. De relatie tussen deze drie organisaties kenmerkt zich al jaren door het praten over rechten en plichten. Noch het elkaar gunnen van een eigen rol noch het vormgeven van samenwerking is door de interviewgroep gesignaleerd.
4.1 Korte schets van de juridische verschillen
De BUN is een vereniging met een ALV en een bestuur, dat alleen uit vrijwilligs bestaat. Het bestuur heeft uitsluitend een statutair recht op vergoeding van de onkosten.
BOS is een stichting gefinancierd door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) met eigen toezichthouders en een eigen organisatie van de achterban (PAR).
De BZI is een stichting met vrijwillige bestuurders, die mensen ‘zendt’ richting het Ministerie van Justitie. Na zending vallen deze mensen voor het overgrote deel onder de verantwoordelijkheid van Justitie en houdt de BZI slechts marginaal toezicht en dan vooral vanuit een boeddhistische invalshoek. Het vrijwillige bestuur krijgt geen onkostenvergoeding. De overige bestuurskosten komen ten laste van de BUN.
Thema 5: De leden, sangha’s en persoonlijke verhoudingen
Zonder draagvlak bij de leden opereert een verenigingsbestuur in het luchtledig. De leden hebben vele wensen, maar zijn niet of onvoldoende bereid gebleken daadwerkelijk aan het werk van de BUN bij te dragen. Enerzijds leidt dit tot een grote beleidsvrijheid van het BUN-bestuur, want ze opereren per slot in een vacuüm. Anderzijds heeft dat het risico dat persoonlijke ambities een exorbitante rol gaan spelen, zonder dat tijdig wordt afgeremd. Door het gebrek aan participatie door de sangha’s is er ook een groot verloop onder de bestuursleden, want als je niet gedragen wordt, valt veelal de animo weg. Betrokkenheid van de leden bij het werk van de BUN is daarmee één van de grote opgaven voor de toekomst.
In meerdere interviews werd de sterke rol van met name de BUN voorzitters genoemd. Ook het rouleren van die BUN bestuursleden naar een functie bij BOS en BZI. Daarbij werd opgemerkt dat in het verleden het aantal actief betrokkenen bij de BUN minimaal was. Het leek daarom voor de hand te liggen en soms zelfs de enige mogelijkheid te zijn voor functies bij BOS en BZI uit dezelfde beperkte groep te kiezen. Door anderen werd ditzelfde feit negatief gewaardeerd.
Meerdere keren kreeg de interviewgroep de indruk dat het bestuurlijk spel tussen BUN, BOS en BZI persoonlijk werd gespeeld met te weinig aandacht voor de functies. Een aantal mensen voelt zich in hun functies persoonlijk beschadigd. Opvallend daarbij is dat de voormalig vrijwillig bestuurders, die een overgang hebben gemaakt naar BOS en BZI nu vanuit die nieuwe positie zich niet lijken te kunnen verplaatsen in de positie van de vrijwillige BUN bestuurders. Of in ieder geval niet tot een goede samenwerkingsrelatie kunnen komen
Binnen de interviewgroep hebben we ons afgevraagd hoe het kan dat mensen elkaar binnen een boeddhistische setting met goede bedoelingen zo kunnen kwetsen. Daarbij zagen we veel idealistische, bevlogen en gepassioneerde mensen.
Sangha´s rekenen de Dharma tot hun taak. Zij zijn voornamelijk naar binnen gericht d.w.z. niet op de maatschappij gericht. De beoefenaars op hun leraar, de leraar op zijn leerlingen. De BUN is gericht op de samenhang tussen de sangha´s en naar buiten op de maatschappelijke taken.
Als aandachtsgebieden voor de BUN zijn bijvoorbeeld te onderscheiden:
* BOS
* BZI
* Interreligieuze contacten
* Opleidingen en Scholen
* Hospice
De non participatie van leraren m.b.t. het bestaan en het functioneren van de BUN werd door enkelen als een risico gezien. Dit is één van de factoren waardoor het BUN bestuur los kan gaan functioneren van de sangha´s. Van belang is dat de ALV leden de band met de sangha’s kunnen versterken dan wel verzwakken. Borging van het contact met de sangha´s garandeert een bestuur dat namens de sangha’s opereert. Gevaar is anders dat voorzitters hun eigen koers bepalen. Een aantal voorzitters heeft geprobeerd dit contact met de sangha’s te organiseren. Wij kunnen alleen maar vaststellen dat dit niet is gelukt. Het zou aanbeveling verdienen als ook de leraren zich minder exclusief op hun eigen sangha richten, en meer verantwoording zouden nemen voor de samenhang van de diverse sangha’s en voor de ontwikkeling van het boeddhisme in Nederland als geheel.
Als BUN zijn we nog niet volgroeid. De BUN zou meer een platform kunnen zijn voor het uitwisselen van ervaringen tussen de sangha´s. Het is bijzonder dat stromingen met elkaar in contact komen. En elkaar weer ontmoeten.
In die zin worden de ervaringen van de afgelopen jaren door de commissie gezien als mogelijke groeistuipen. Die doen pijn. Geconstateerd wordt een groot verantwoordelijkheidsgevoel bij alle betrokkenen. Van daaruit werd steeds meer tijd gestoken is diverse onderwerpen, niet altijd met een positief resultaat.
Tot slot geven wij aan, en dan zijn we al flink in de richting van aanbevelingen terecht gekomen, welke competenties we zien als noodzakelijk voor BUN bestuurders:
Bestuurlijke ervaring, laat weten welke toekomstvisie je hebt, communicatieve vaardigheden, verbindend, motiverend. Evenwichtig, loyaliteit, gemotiveerd maar niet bevlogen.
Aanbevelingen
Aanbeveling 1: Selecteer bestuurders op bestuurlijke vaardigheid, loyaliteit, evenwichtigheid en communicatieve eigenschappen.
Aanbeveling 2: Kies geen mensen in het bestuur die activistisch, gedreven en bevlogen zijn. Die eigenschappen – hoe verdienstelijk op zich ook - verstoren het delicate evenwicht tussen algemeen en deelbelang, tussen bestuur en leden en tussen besturen en uitvoering.
Aanbeveling 3: Formeer een commissie van leraren aan wie periodiek vragen door BUN, BOS en BZI worden voorgelegd over actuele maatschappelijke kwesties. Die kwesties kunnen betrekking hebben op politiek en ethische onderwerpen, maar dienen met name gericht te zijn op verbetering van de onderlinge samenwerking tussen de sangha’s en op verbetering van de communicatie tussen de sangha’s en BUN, BOS en BZI.
Aanbeveling 4: De leraren zullen in hun sangha’s meer aandacht vragen voor de onderlinge samenwerking tussen de sangha’s en zullen nagaan welke sanghaleden een bijdrage zouden kunnen leveren aan bestuurs- dan wel uitvoeringstaken op landelijk niveau.
Aanbeveling 5: De leraren zullen er op toezien, dat bestuursleden de sangha op de ALV vertegenwoordigen.
Aanbeveling 6: De sangha’s zeggen hun steun toe aan het bestuur van de BUN. In geval van negatieve kritiek zal de leraar daarover met de sanghaleden in gesprek gaan. Als de leraar van oordeel is dat de kritiek een kern van waarheid lijkt te hebben zal hij/zij daarover contact opnemen met leden van het bestuur van de BUN om navraag te doen en tot een open vorm van communicatie te komen.
Aanbeveling 7: Het verdient aanbeveling afspraken te maken over de wijze van communicatie tussen de besturen van BUN, BOS en BZI. Voor welke zaken kan email worden ingezet? Wanneer verdient het aanbeveling om de telefoon te pakken? Welke kwesties verdienen een gesprek onder vier ogen? En in welke gevallen verdient het aanbeveling dat besturen met elkaar om de tafel gaan zitten?
Aanbeveling 8: Stel een communicatieplan op over de wijze van communiceren met de pers in geval van negatieve uitingen in de pers.
Aanbeveling 9: Informatie. BOS en BZI informeren het BUN-bestuur periodiek volgens een door BUN, BOS en BZI nader uit te werken schema. BOS en BZI informeren voorts de ALV over het voorgenomen beleid op de voorjaarsvergadering, en over het gevoerde beleid op de najaarsvergadering.
Aanbeveling 10: Consultatie. BOS en BZI consulteren het BUN-bestuur over voorgenomen plannen tot fusie, relevante beleidsaanpassingen en benoemingen.
Aanbeveling 11: Participatie. De voorzitter van de Participatieraad van de BOS wordt door het BUN-bestuur benoemd na consultatie van het BOS-bestuur. De leden van de Participatieraad worden door het BOS-bestuur benoemd na consultatie van het BUN-bestuur. De voorzitter van de Participatieraad heeft geen zitting in het BOS-bestuur.
Aanbeveling 12: Begrensde autonomie. De besturen van BOS en BZI zijn autonoom. Afgezien van informatie, consultatie en participatie als voornoemd bepalen zij op welke wijze hun organisaties bestuurd worden. Bij afwijking van adviezen van bestuur dan wel ALV van de BUN wordt die afwijking gemotiveerd in het jaarverslag.
Aanbeveling 13: Overigens is het hierbij van belang om een onderscheid te maken tussen negativiteit bij leden en bij niet-leden.
Het is aan het BUN-bestuur om de BUN als koepelorganisatie te besturen binnen de kaders die de ALV daarvoor aangeeft. Daarbij is het onder meer de verantwoordelijkheid van het BUN-bestuur toe te zien op de invulling van de overeenkomsten die zij met derde partijen namens de ALV sluit. Dit toezicht dient plaats te vinden op een wijze waarin de ALV zich kan herkennen.
Waarin het bestuur zich realiseert dat het streven naar het zuiver handelen en andere belangrijke uitgangspunten van het Boeddhisme in onze gezamenlijke beoefening zich per definitie niet laten vertalen naar een organisatie of de samenwerking tussen organisatie.
zaterdag 22 oktober 2011
Een tussen-stand-van zaken met dit blog
De afgelopen weken heb ik dit “boeddhisme-blog” nieuw leven ingeblazen.
Als jullie anderen op deze blog willen wijzen: graag.
Oude stukken (brieven, artikelen) heb ik gedateerd ingevoegd, en nieuwe stukken geschreven.
Ik heb genoeg stof om nog jaren te schrijven:
samenvattingen en besprekingen van boeken;
amateur-boeddhologie en de vraag naar het nut van deze kennis bij de beoefening;
ontwikkelingen in het georganiseerde boeddhisme in Nederland (of juist het ontbreken daarvan);
en meer persoonlijke ervaringen; zo wil ik binnenkort gaan schrijven over
Geloof ik dan in de ‘Boeddha-natuur’?, en
Wat is een 'vrijzinnig Theravadin’?
Wel wat veel voor iemand zonder ambitie, toch?
Maar ja, ik vind dat er in Nederland weinig echte discussies tussen de diverse boeddhistische tradities en tussen boeddhisten plaatsvinden. Daarom is een beetje polemisch blog misschien wel nodig.
Groeten
Joop
Als jullie anderen op deze blog willen wijzen: graag.
Oude stukken (brieven, artikelen) heb ik gedateerd ingevoegd, en nieuwe stukken geschreven.
Ik heb genoeg stof om nog jaren te schrijven:
samenvattingen en besprekingen van boeken;
amateur-boeddhologie en de vraag naar het nut van deze kennis bij de beoefening;
ontwikkelingen in het georganiseerde boeddhisme in Nederland (of juist het ontbreken daarvan);
en meer persoonlijke ervaringen; zo wil ik binnenkort gaan schrijven over
Geloof ik dan in de ‘Boeddha-natuur’?, en
Wat is een 'vrijzinnig Theravadin’?
Wel wat veel voor iemand zonder ambitie, toch?
Maar ja, ik vind dat er in Nederland weinig echte discussies tussen de diverse boeddhistische tradities en tussen boeddhisten plaatsvinden. Daarom is een beetje polemisch blog misschien wel nodig.
Groeten
Joop
zondag 16 oktober 2011
De BOS krijgt een hoofd televisie
De BOS krijgt een hoofd televisie, Laetitia Schoofs. Ze introduceerde zichzelf in een brief aan de kijkers. De inhoud daarvan stelde me niet helemaal gerust, ze zou wel eens precies het soort programma's kunnen gaan produceren waarvan ik denk dat ze niet boeddhistisch zijn, en ook niet bedoeld zijn als 2.42-programm's door de wetgever. Daarom heb ik haar een welkomstbriefje gestuurd. Voorlopig resultaat: een vriendelijk bedankbriefje.
Amersfoort, 22 september 2011
Beste Laetitia,
Van Gertjan Mulder hoorde ik dat je per 1 januari Hoofd Televisie van de BOS wordt.
Gefeliciteerd daarmee. Het lijkt me een uitdagende functie, in een BOS die de komende drie jaren het niet makkelijk zal hebben.
Ik reageer snel, omdat dit mogelijk niet het soort geluid is wat je op de Achterbandag volgende week te horen zal krijgen.
Graag wil ik me ook aan je voorstellen (Gertjan kan dat eventueel verder toelichten en je sommige van mijn brieven aan hem laten lezen): ik ben ben critisch boeddhist; één van de meest regelmatige kijkers naar en luisteraars van BOS-programma’s, en iemand die daar ook graag op reageert op BOS-website. En bijna altijd op persoonlijke titel.
Ik zal je niet kunnen ontmoeten bij het Nederlands Filmfestival, het BFFE of het IDFA, want ik ben geinteresseerd in het boeddhisme, en nauwelijks in film, met name niet in esthetica. Die koppeling tussen BOS en film moet juist wat minder worden
Je schrijft in je introductiebrief dat je “mooie programma’s” wil gaan maken. Tja, niet te mooi, hoop ik; want de BOS moet toch ook (opnieuw) aandacht gaan schenken aan de kern van de boodschap van de Boeddha: lijden en het einde van het lijden. Naast “compassie”, ook door de Boeddha en in soetra’s genoemd; en “respect”, hoewel daar nooit in genoemd.
Je achtergrond is wel erg Amsterdams, hopenlijk ga je ook de stad uit op zoek naar inspirerende mensen, kijkers en thema’s.
Eind verleden jaar hebben een aantal mensen zoals ik onafhankelijk van elkaar gescored hoeveel procent van de televisieprogramma’s van de BOS boeddhistisch genoemd kunnen worden. Mijn gevoel dat het steeds minder was geworden, bleek te kloppen: in 2001 was dat 83% en de jaren daarna daalde het via 75% van 67% en 45% naar 34% van de voor 2011 aangekondigde programma’s. Waarschijnlijk heb je van het bestuur van de BOS ook wel te horen gekregen dat dat echt niet kan.
(Natuurlijk, er zit enige subjectiviteit in de criteria wat wel en wat niet boeddhistisch genoemd kan worden; maar het feit dat door meerdere mensen onafhankelijk van elkaar is gescored en het feit dat jaren met elkaar vergeleken zijn, maken van inter-subjectiviteit een behoorlijke objectiviteit, vraag dat maar aan een sociaal wetenschapper.)
Wat mij vooral een uitdaging lijkt is het voor televisie vormgeven van het beoefenen van het boeddhisme anno nu in Nederland (en in mindere mate in de VS of Azië). Lijkt me moeilijk, drie kwartier naar een bewegingloos zittende meditator kijken zal voor veel televisie-kijkers wat saai vinden. Maar jij bent de professional en kan daar vast wel iets van maken om de kijker duidelijk te maken wat er qua ervaring gebeurt bij iemand die op deze of een andere manier het boeddhisme boeoefent.
Ook zou het goed zijn als je naar vormen zoekt om de Dharma (of Dhamma zoals het bij Theravada heet) in programma’s te brengen, niet zozeer in verhaalvorm maar gewoon de leer zelf, bijvoorbeeld door een acteur voorgedragen.
Of discussie tussen (Nederlandse) boeddhisten, ook een thema dat zeer weinig aandacht heeft gekregen de afgelopen jaren.
Tenslotte hoop ik dat je na wilt gaan of de BOS-televisie, als onderdeel van de publieke omroep, ook niet een journalistieke functie heeft; enige aandacht voor wat er in boeddhistisch Nederland gebeurt, zou m.i. wel op z’n plaats zijn.
Kortom: genoeg te doen tot eind 2015; en hopenlijk daarna, met een gewijzigde Mediawet.
Vriendelijke groet
Joop Romeijn
Bijgevoegd artikel 2.49, lid 2 van de Mediawet:
“ Kerkgenootschappen respectievelijk genootschappen op geestelijke grondslag verzorgen media-aanbod dat geheel ligt op kerkelijk respectievelijk geestelijk terrein en dat verband houdt met de kerkelijke of geestelijke identiteit."
Amersfoort, 22 september 2011
Beste Laetitia,
Van Gertjan Mulder hoorde ik dat je per 1 januari Hoofd Televisie van de BOS wordt.
Gefeliciteerd daarmee. Het lijkt me een uitdagende functie, in een BOS die de komende drie jaren het niet makkelijk zal hebben.
Ik reageer snel, omdat dit mogelijk niet het soort geluid is wat je op de Achterbandag volgende week te horen zal krijgen.
Graag wil ik me ook aan je voorstellen (Gertjan kan dat eventueel verder toelichten en je sommige van mijn brieven aan hem laten lezen): ik ben ben critisch boeddhist; één van de meest regelmatige kijkers naar en luisteraars van BOS-programma’s, en iemand die daar ook graag op reageert op BOS-website. En bijna altijd op persoonlijke titel.
Ik zal je niet kunnen ontmoeten bij het Nederlands Filmfestival, het BFFE of het IDFA, want ik ben geinteresseerd in het boeddhisme, en nauwelijks in film, met name niet in esthetica. Die koppeling tussen BOS en film moet juist wat minder worden
Je schrijft in je introductiebrief dat je “mooie programma’s” wil gaan maken. Tja, niet te mooi, hoop ik; want de BOS moet toch ook (opnieuw) aandacht gaan schenken aan de kern van de boodschap van de Boeddha: lijden en het einde van het lijden. Naast “compassie”, ook door de Boeddha en in soetra’s genoemd; en “respect”, hoewel daar nooit in genoemd.
Je achtergrond is wel erg Amsterdams, hopenlijk ga je ook de stad uit op zoek naar inspirerende mensen, kijkers en thema’s.
Eind verleden jaar hebben een aantal mensen zoals ik onafhankelijk van elkaar gescored hoeveel procent van de televisieprogramma’s van de BOS boeddhistisch genoemd kunnen worden. Mijn gevoel dat het steeds minder was geworden, bleek te kloppen: in 2001 was dat 83% en de jaren daarna daalde het via 75% van 67% en 45% naar 34% van de voor 2011 aangekondigde programma’s. Waarschijnlijk heb je van het bestuur van de BOS ook wel te horen gekregen dat dat echt niet kan.
(Natuurlijk, er zit enige subjectiviteit in de criteria wat wel en wat niet boeddhistisch genoemd kan worden; maar het feit dat door meerdere mensen onafhankelijk van elkaar is gescored en het feit dat jaren met elkaar vergeleken zijn, maken van inter-subjectiviteit een behoorlijke objectiviteit, vraag dat maar aan een sociaal wetenschapper.)
Wat mij vooral een uitdaging lijkt is het voor televisie vormgeven van het beoefenen van het boeddhisme anno nu in Nederland (en in mindere mate in de VS of Azië). Lijkt me moeilijk, drie kwartier naar een bewegingloos zittende meditator kijken zal voor veel televisie-kijkers wat saai vinden. Maar jij bent de professional en kan daar vast wel iets van maken om de kijker duidelijk te maken wat er qua ervaring gebeurt bij iemand die op deze of een andere manier het boeddhisme boeoefent.
Ook zou het goed zijn als je naar vormen zoekt om de Dharma (of Dhamma zoals het bij Theravada heet) in programma’s te brengen, niet zozeer in verhaalvorm maar gewoon de leer zelf, bijvoorbeeld door een acteur voorgedragen.
Of discussie tussen (Nederlandse) boeddhisten, ook een thema dat zeer weinig aandacht heeft gekregen de afgelopen jaren.
Tenslotte hoop ik dat je na wilt gaan of de BOS-televisie, als onderdeel van de publieke omroep, ook niet een journalistieke functie heeft; enige aandacht voor wat er in boeddhistisch Nederland gebeurt, zou m.i. wel op z’n plaats zijn.
Kortom: genoeg te doen tot eind 2015; en hopenlijk daarna, met een gewijzigde Mediawet.
Vriendelijke groet
Joop Romeijn
Bijgevoegd artikel 2.49, lid 2 van de Mediawet:
“ Kerkgenootschappen respectievelijk genootschappen op geestelijke grondslag verzorgen media-aanbod dat geheel ligt op kerkelijk respectievelijk geestelijk terrein en dat verband houdt met de kerkelijke of geestelijke identiteit."
Labels:
boeddhisme in Nederland,
BOS,
brieven,
televisieprogramma's
dinsdag 17 mei 2011
Wat is de ekonomische betekenis van het boeddhisme in Nederland ?
Eerder heb ik op een aantal plaatsen waar onderzoekers het mogelijk lezen, een aantal vragen over onderzoek over het boeddhisme in Nederland geformuleerd. Zie hier.
Ik heb een tweede serie onderzoeksvragen, misschien meer voor ekonomen (of studenten ekonomie) dan boeddhologen.
De vragen: Wat is de ekonomische betekenis van het boeddhisme in Nederland? En wat zijn de ontwikkelingen daarin?
Een aantal subvragen:
- Hoe gaat het financieel toe (bv jaarlijkse inkomsten en uitgaven) in een grote, een gemiddelde en een kleine sangha? Een belangrijk onderdeel: de huurkosten (en stijging daarvan)
- Wat zijn de ontwikkelingen van de laatste vijf of tien jaar daarin (ik hoor wel eens dat de financiële problemen gegroeid zijn)?
- Wordt in sangha's het dana-principe volledig of gedeeltelijk toegepast ?
(Onder 'gedeeltelijk' kan worden verstaan: kosten zoalos zaalhuur worden wel in een tarief
voor de deelnemer omgezet, beloning voor de leraar in de vorm van dana)
- Hoeveel sangha's zijn rechtspersoon zonder winstoogmerk (bv stichting) en hoeveel mèt winstoogmerk?
(zoals kan blijken uit de wijze van inschrijving bij de Kamer van Koophandel)
- Wat is - bij de laatsten - het 'verdienmodel' van een boeddhistische organisatie?
- Hoeveel boeddhisten kunnen (bv minstens halftime) van het boeddhisme leven?
- Welke 'boeddhistische artikelen' worden aangeboden, te denken valt aan Boeddhabeelden, kussentjes, boeken etc. ?
- Wat is de omzet daarvan en welke ontwikkelingen (groei of stagnatie) zijn er de laatste jaren?
- Welke vormen van marketing vinden zo al plaats (bv advertenties, quasi-berichten op discussie-foums, twitter-berichten) ?
- Zijn er andere ontwikkelingen, voorzover niet in deze vragen gecovered?
Joop Romeijn
een nieuwsgierige lezer, bij voorbaat
Ik heb een tweede serie onderzoeksvragen, misschien meer voor ekonomen (of studenten ekonomie) dan boeddhologen.
De vragen: Wat is de ekonomische betekenis van het boeddhisme in Nederland? En wat zijn de ontwikkelingen daarin?
Een aantal subvragen:
- Hoe gaat het financieel toe (bv jaarlijkse inkomsten en uitgaven) in een grote, een gemiddelde en een kleine sangha? Een belangrijk onderdeel: de huurkosten (en stijging daarvan)
- Wat zijn de ontwikkelingen van de laatste vijf of tien jaar daarin (ik hoor wel eens dat de financiële problemen gegroeid zijn)?
- Wordt in sangha's het dana-principe volledig of gedeeltelijk toegepast ?
(Onder 'gedeeltelijk' kan worden verstaan: kosten zoalos zaalhuur worden wel in een tarief
voor de deelnemer omgezet, beloning voor de leraar in de vorm van dana)
- Hoeveel sangha's zijn rechtspersoon zonder winstoogmerk (bv stichting) en hoeveel mèt winstoogmerk?
(zoals kan blijken uit de wijze van inschrijving bij de Kamer van Koophandel)
- Wat is - bij de laatsten - het 'verdienmodel' van een boeddhistische organisatie?
- Hoeveel boeddhisten kunnen (bv minstens halftime) van het boeddhisme leven?
- Welke 'boeddhistische artikelen' worden aangeboden, te denken valt aan Boeddhabeelden, kussentjes, boeken etc. ?
- Wat is de omzet daarvan en welke ontwikkelingen (groei of stagnatie) zijn er de laatste jaren?
- Welke vormen van marketing vinden zo al plaats (bv advertenties, quasi-berichten op discussie-foums, twitter-berichten) ?
- Zijn er andere ontwikkelingen, voorzover niet in deze vragen gecovered?
Joop Romeijn
een nieuwsgierige lezer, bij voorbaat
zondag 10 oktober 2010
WELKOM OP DE TITANIC
Een door mij uitgesproken "feestrede" op 10 oktober 2010
De BOS bestaat 10 jaar.
Waarom bestaat de BOS? Hoe is het met de Dharma? Bestaat de BOS over 10 jaar nog?
Dat zijn de vragen waarover ik het wil hebben. Een soort feestrede dus.
Stel u voor: wij zitten hier met de jarige BOS in een theater dat zich eigenlijk op de Titanic bevindt. U weet wel, het schip dat door de eigenaren het beste schip aller tijden werd genoemd en onzinkbaar werd geacht.
En u weet ongetwijfeld ook wat er mee gebeurde, honderd jaar geleden: het botste op een ijsberg en zonk.
Op die Titanic bevinden we ons nu; ik probeer me, met u, dat te visualiseren.
We varen niet ergens heen, dat lijkt maar zo; we drijven in feite maar wat met de stroom mee.
Maar er ligt wel een ijsberg op onze route
Laat ik die zee maar een naam geven, ik noem hem Dharma
Laat ik die ijsberg ook maar een naam geven, ik noem hem de Mediawet
Ik heb de indruk gekregen dat deze dag in de plaats is gekomen van de jaarlijkse 'achterbandag' van de BOS. De laatste jaren was dat een gladde bijeenkomst, met een 'internationaal bekende boeddhist'. Maar tot een paar jaar geleden was er voor de aanwezigen, kijkers naar en luisteraars van de BOS-uitzendingen, ruim gelegenheid commentaar te leveren op die programma's. Dat kon zelfs, u gelooft het misschien niet, als dat commentaar kritisch was.
Nu is de achterbandag, als feestdag, ingebed in een filmfestival. Nu heb ik niets met films, ze zijn meestal esthetisch, bijna nooit ethisch of soteriologisch maar ze passen wel in deze boeddhistische Titanic.
Volgens mij behoren echter teksten en chanten meer tot de boeddhistische cultuur.
Aan mijn chanten wil ik u niet blootstellen, daarom van mij vanmiddag wat tekst.
U weet natuurlijk dat er vanmiddag ook de presentatie is van het boek van Anne Kleisen e.a.,
“Ja, ik zit! Jonge boeddhisten over relaties, seks, werk en andere aardse zaken.”
In zekere zin is mijn speechje daar een aanvulling op:
“Ik ga nog niet liggen. Een oude boeddhist over niet-zelf, onbestendigheid,
lijden, doodgaan en andere universele zaken.”
Alleen zal ik – ouderwets – niet zoveel over mezelf vertellen.
Maar over de Dharma dus.
Wat is de Dharma? Want we zouden het bijna vergeten: de BOS is er voor, de Dharma te brengen. Artikel 2.42 van de Mediawet zegt dat het bij omroepen zoals de BOS gaat om het:
“...verzorgen van media-aanbod op kerkelijk of geestelijk terrein”
Minister Plasterk heeft verleden jaar een verduidelijking hiervan gegeven die de BOS niet zo waardeerde. Hij zei: `Sinds 1957 is er in Nederland zendtijd voor kerkgenootschappen en
genootschappen op geestelijke grondslag die een specifiek aanbod van levensbeschouwelijke aard verzorgen. Binnen het Nederlandse omroepbestel wordt hiermee een specifieke invulling gegeven aan de religieuze en levensbeschouwelijke diversiteit. Mijn opvatting is dat een dergelijk podium voor geloofsstromingen – niet aanvullend op overige aanbieders, maar als zelfstandig gepositioneerde
zendgemachtigden met de voor hun achterban kenmerkende boodschap - een nuttige maatschappelijke voorziening is. Doordat dit aanbod deel is van het totale media-aanbod van de landelijke publieke omroep kan een veel breder publiek van geïnteresseerden daarvan kennis nemen. Bovendien voorzien de programma’s in een maatschappelijk behoefte: voor mensen die geen kerk meer kunnen bezoeken of vanuit huis kennis willen nemen van opvattingen en godsdienstbeleving binnen de geestelijke hoofdstromingen in de samenleving. Het kan bijvoorbeeld gaan om mensen die slecht ter been zijn en niettemin hun gewoonte van een wekelijkse kerkdienst willen volhouden. Ik zie de ruimte voor deze omroepen dan ook primair als een service aan, voornamelijk oudere, mensen die op deze manier hun geloof kunnen beleven ...`
Dit is iets te streng gezegd. Ik vind – met de wetgever – dat het om het brengen van de Dharma gaat. Maar ik vind niet dat de BOS alleen tot doel heeft, service aan oudere boeddhisten in de vorm van deelname aan Dharma-beoefening te bieden. Dat mag best ook wel aan jongere mensen te gebeuren, die categorie die hier vanmiddag goed vertegenwoordigd is.
En dat dat ook best mag voor hen die geen boeddhist zijn maar zogeheten affiniteit ermee hebben, wat dat ook betekent. Maar dan moeten ze wel hun affiniteit willen beleven.
(Ik heb laatst deze zogeheten mensen met affiniteit vergeleken met mensen die zeggen aan sport te doen; bij doorvragen blijkt dat voor veel van hen slechts te betekenen: het volgen van sportuitzendingen op de televisie.)
In de uitnodiging voor vanmiddag staat dat ik kan tonen wat voor mij belangrijk is, wat mijn passie is. Welnu, mijn passie is de Dharma, of de Dhamma zoals in het Pali de Theravada-vorm ervan genoemd wordt. Daar wil ik nu een proeve van geven.
Hierbij wil ik benadrukken dat het boeddhisme voor mij een religie is. Tot voor kort was het bij sommige Nederlandse boeddhisten populair om te zeggen dat het (of : hun) boeddhisme niet een religie was maar een 'levenswijze'. Ik geef toe: 'een levenswijze' past wel beter bij het westerse individualisme en consumentisme. Om bv met een leiderschapscursus een bedrijf binnen te komen, is het beter, het religie-karakter te ontkennen.
Het grappige is dat de laatste maanden de vraag of iets een religie is of niet, een strijdpunt is geworden; Geert Wilders stelt dat de Islam een ideologie is en niet een religie; anderen stellen dat het wel degelijk een religie is; en daarmee bedoelen ze iets moois, iets positiefs. Kortom: 'religie' is terug van weggeweest.
Nu zijn er honderden omschrijvingen van wat een 'religie' eigenlijk is, ik ga hier uit van die van de godsdienstwetenschapper Ninian Smart die het omschrijft als: “een verzameling van
geïnstitutionaliseerde rituelen van een groep mensen die verbonden zijn met een traditie en die spirituele sentimenten met een buiten-menselijke focus uitbeelden of oproepen en ten minste ten dele gebaseerd op mythologie en/of doctrines.“
Vooral die 'buiten-menselijke focus' valt op, het 'transcendente' wordt dat ook vaak genoemd; voor wie bezig is met het dood gaan, is dat een onvermijdelijke dimensie.
Om mezelf wat te plaatsen: ik noem mezelf naast ‘kritisch’ boeddhist en ook ‘vrijzinnig Theravadin’. Dat mag bv blijken uit m’n waardering voor Stephen Batchelor. Daarom citeer ik eerst de slotpassage van zijn boek ‘ Confession of a buddhist atheist’ (pagina 240).
[Een voorzichtige en zo letterlijk mogelijke vertaling]
“ Als het begrip ‘seculiere religie’ niet beschouwd zou worden als een contradictio in
terminis [waarom eigenlijk, Joop ?], dan zou ik dit concept graag ondersteunen.
Ik denk niet langer aan de beoefening van het boeddhisme louter in termen van vooruitgang boeken in de meditatie en het verkrijgen van ‘spirituele’ verworvenheden.
De uitdaging van het Achtvoudige Pad van Gotama is - zoals ik dat begrijp – om te leven in déze wereld op een manier die het het mogelijk maakt dat elk aspect van zijn of haar bestaan bloeit: zien, denken, spreken, handelen, werken, etc.
Elk gebied van het leven vraagt om een specifieke wijze om de Dhamma te beoefenen. Meditatie en mindfulness alleen zijn niet genoeg. Gegeven de taak om te reageren op het lijden dat me elke keer confronteert als ik een krant open sla, vind ik het immoreel om de eisen van dit leven ondergeschikt te maken aan de ‘hogere’ taak van het zich voorbereiden naar een bestaan – of niet-bestaan – na de dood. Ik zie mezelf als een seculier boeddhist die zich geheel betrokken weet op de vragen die deze tijd stelt, waarbij het er niet toe doet hoe inadekwaat en onbetekenend mijn antwoorden op deze eisen ook mogen zijn."
Omdat hier vanmiddag vast wel film-liefhebbers zijn, u kent natuurlijk de term 'feel-good-movie'. Op dezelfde manier kan men van een 'feel-good-buddhism' spreken. 'buddhism-lite' wordt het ook wel genoemd. Het is een variant van het New-Age-positief-denken: als je iets echt wil, komt het er.
Het is het boeddhisme van de 'winners' in onze samenleving, van 'losers' moet men niet zoveel hebben, die kent men ook nauwelijks. Het is een boeddhisme als vorm van consumentisme waarin leraren verworden tot eigenaren van bedrijfjes. Het is het boedhhisme dat, als het zich tot het bedrijfsleven richt, richt op de leidinggevenden, nauwelijks op de leiding-nemenden (daar identificeert men zich liever niet mee en valt minder aan te verdienen)
Ik stel daar tegenover het boeddhisme waarin de vier Edele Waarheden centraal staan, en als eerste daarvan die van het lijden, dukkha. Waarin “bijvoorbeeld de laatste stap van de paticcasamuppada (de leer van het 'voorwaarderlijk ontstaan') onder de mat worden geveegd.
Ik citeer: “Door geboorte als voorwaarde, ontstaan ouderdom en dood, verdriet, weeklagen,
pijn, smart en wanhoop. Aldus ontstaat deze hele massa van lijden.”
Gelukkig is er ook de vierde van de Edele Waarheden, en dat is die van het Achtvoudige Pad.
Het Achtvoudige Pad van de beoefening dat niet alleen over wijsheid gaat en over concentratie maar ook over ethiek. En juist de moraliteit is een van de verwaarloosde aspecten van het hedendaagse Nederlandse boeddhisme (vind ik dan).
Natuurlijk moet je je eigen ethische opvattingen niet aan anderen opleggen, maar je mag ze best aan anderen voorhouden. En een boeddhistische organisatie mag ook best onethisch gedrag ontmoedigen.
Een ander elegant aspect van het Achtvoudige Pad is dat het wereldlijke en het transcendente (net heb ik dat genoemd het aardse en het universele) met elkaar verbindt. Het gaat over 'gewone' ethiek als niet stelen, niet doden, niet liegen; maar ook over wijsheid.
Eerst een opsomming voor degenen onder de aanwezigen die niet zo ‘bijbelvast’ zijn.
Bij de wijsheid wordt onderscheiden:
het juiste begrip, of de visie;
het juiste denken, of de juiste attitude;
Interessant is dat het gebruiken van het verstand, het intellectuele waar sommigen zo minachtend over doen, ook bij 'wijsheid' een rol speelt. Ook speelt 'de wil' een rol, bij de juiste inspanning.
Kortom: boeddhisme is méér dan gevoelens van compassie hebben.
De ethiek kent als factoren:
het juiste spreken,
te onderscheiden zich onthouden van leugens, roddel, laster, ruwe taal èn gebabbel (!);
het juiste handelen;
afzien van doden, stelen, onzuiver seksueel gedrag; maar ook: positief geëngageerd gedrag;
het juiste levensonderhoud,
traditioneel worden hier beroepen bedoeld als slager, soldaat, drugs-dealer, enz.
Een actueel discussiepunt bij dit levensonderhoud is of het is toegestaan,
geld te verdienen met het boeddhisme ?
Ik kan me voorstellen dat het model uit Aziatische landen hier niet volledig toepasbaar is. Het model: op het ‘beoefenen’ in een tempel staat geen tarief, ook voor mediteren of teksten meekrijgen. Of en hoeveel dana (vrijgevigheid) men kan geven, wordt vrijgelaten.
Belangrijk daarbij is: dana is geen ruilmiddel voor wat men verkrijgt, geld geven is
een vorm van verdìènsten verwerven, voor karma dus.
Dit model is in Nederland grotendeels losgelaten, zonder dat daar een reflectie op heeft plaatsgevonden. Soms is er een mengvorm: dana voor de leraar en de kosten voor verblijf etc. tegen een tarief. Ik merk daarover dan bij sommige leraren een te grote bescheidenheid: juist omdat vrijgevigheid hier niet zo gebruikelijk is, moet het krachtiger worden benadruk dan nu soms gebeurt. Vrijgevigheid is geen vrijblijvendheid !
Maar meestal is men een stap verder gegaan en zijn er alleen maar tarieven (langzamerhand ook met een hoogte zoals in het bedrijfsleven gebruikelijk). Geld puur als ruilmiddel dus. De markt.
De reden dat ik ernstig twijfel aan de wenselijkheid van dit consumenten-model is niet alleen van ethische aard, ik denk dat de Dharma zelf verandert in dit economische krachtenveld.
Niet alleen de 'dana', vrijgevigheid – ook het begrip 'dukkha' wint geen populariteitsprijs van de markt en komt in Happinez-achtige teksten niet voor. ´Bescheidenheid´ en ´geduld´ook niet.
Bovendien is de relatie leraar tegenover leerling aan het veranderen in die van eigenaar van een bedrijfje (een boeddhistisch ondernemer) tegenover spirituele consument. Volgens mij kan je in dit model niet meer van een sangha spreken.
Een aparte vorm is het gebruik van geseculariseerde aspecten van het boeddhisme, zoals de mindfulness (voorheen beter bekend als vipassana-meditatie als vorm van beoefening), nu in handen van professionals … en beunhazen.
Op de Dharma berust geen copyright, maar ik vind dat degenen die mindfulness geven en coachen op (volgens henzelf) boeddhistische principes en andere vergelijkbare professionals, een percentage van hun inkomsten moeten geven aan het boeddhisme. Ze ‘lenen’ tenslotte van de Dharma, om het aardig te zeggen (de Boeddha zelf noemt het stelen). We moeten daar maar een aparte stichting voor in het leven roepen, een soort Buma-Stemra (“Boema”).
Nog veel verdergaand is er het geld verdienen aan het boeddhisme (niet zozeer aan de ‘Dharma’). Het boeddhisme en het boeddha-beeld is in de mode; en net zo als “sex sells” bv halfblote dames bij autoreclames, kan men zeggen: “buddha sells”, als er zaken mee aan de man worden gebracht die op zich niets met de Dharma te maken hebben. Sieraden bv. Of dat wat de horeca te bieden heeft. Het is puur consumentisme. Er is geen reden dit te vergoeilijken, en geen reden voor de BOS daar positieve aandacht aan te besteden.
Terug naar het Edele Achtvoudige Pad. Het derde onderdeel, de concentratie, kent:
de juiste inspanning, de wil om onheilzame zaken te vermijden;
de juiste oplettendheid; (vipassana, 'mindfulness' maar dan niet-geseculariseerd)
de juiste meditatieve concentratie (of: absorptie)
Dit laatste wordt in Pali 'jhana' genoemd, vertaald als het Chinese 'Chan’en in het Japans Zen.
‘Meditatie’ bestaat dus uit 'oplettendheid' èn uit concentratie. Licht overdreven: alleen
vipassana beoefenen of alleen zazen is het Edele Eénvoudige Pad (ipv het Achtvoudige Pad).
Dat als reactie op de uitnodiging voor vanmiddag. Ik mag ook hier “tonen van wat in het boeddhisme wel genoemd wordt mijn ware aard” , heet het.
Een groot misverstand want één van de drie belangrijkste kenmerken van het menselijk bestaan in het boeddhisme is juist dat van anatta – niet-zelf. (De andere twee zijn dukkha, het lijden; en anicca, de tijdelijke en vluchtige aard van alle fenomenen)
Nu staat al wat wel in het boeddhisme genoemd wordt de boeddha-natuur, al op gespannen voet met het anatta-kenmerk, maar we kunnen zeggen dat de 'boeddha-natuur' eigenlijk geen natuur is maar een potentie. Maar om dat door te trekken en trots te spreken over de ware aard die men hier kan tonen, slaat nergens op, boeddhistisch gezien dan.
Een 'ware aard' is een mentale constructie, daar moet men juist van af komen.
Nu weer terug naar de BOS en naar de Titanic.
De BOS-televisie heeft het in haar programma´s van de afgelopen tien jaar nauwelijks over deze zaken, het Dharma-gehalte is naar mijn overtuiging zelfs gedaald. (Op de radio gaat het beter.) Waarschijnlijk omdat men liever gezellige, bruisende en positieve zaken wilde tonen, een feel-good-buddhism. Net zo als waar de uitnodiging voor vanmiddag op aanstuurde.
Botst ook dit keer de Titanic op de ijsberg?
Een spannende vraag, en dat moet ook want het moest ook spannend worden vanmiddag.
Anders gezegd: haalt de BOS haar twintigste verjaardag ?
Het ziet er voor de Publieke Omroep natuurlijk niet te best uit, daar wordt op bezuinigd, dus ook op de BOS; en of art. 2.42 Mediawet gehandhaafd blijft, is ook nog maar de vraag.
Maar laten we, zolang we op onze boeddhistische Titanic varen, dan toch vooral kunnen kijken naar programma's die, in de trant van de benadering van ex-minister Plasterk, de Dharma brengen, voor jong èn voor oud. Nadruk dus op de inhoud en niet meer op de vorm.
Hoge kijkcijfers levert dan waarschijnlijk niet op, maar minstens evenveel overlevingskansen.
En laat de BOS wat journalistiek in haar tv-programma's brengen – zoals bij de BOS-radio wel gebeurt – onder andere over wat zich in boeddhistisch Nederland afspeelt, over discussies die in de BUN plaatsvinden; de bijeenkomst van zaterdagochtend 30 oktober is een ideale gelegenheid! De BOS hoort daar als onderdeel van de Publieke Omroep aanwezig te zijn – in haar journalistieke functie - en niet als BUN-lid.
Kortom: Ik blijf de BOS volgen. En ik dank u.
De BOS bestaat 10 jaar.
Waarom bestaat de BOS? Hoe is het met de Dharma? Bestaat de BOS over 10 jaar nog?
Dat zijn de vragen waarover ik het wil hebben. Een soort feestrede dus.
Stel u voor: wij zitten hier met de jarige BOS in een theater dat zich eigenlijk op de Titanic bevindt. U weet wel, het schip dat door de eigenaren het beste schip aller tijden werd genoemd en onzinkbaar werd geacht.
En u weet ongetwijfeld ook wat er mee gebeurde, honderd jaar geleden: het botste op een ijsberg en zonk.
Op die Titanic bevinden we ons nu; ik probeer me, met u, dat te visualiseren.
We varen niet ergens heen, dat lijkt maar zo; we drijven in feite maar wat met de stroom mee.
Maar er ligt wel een ijsberg op onze route
Laat ik die zee maar een naam geven, ik noem hem Dharma
Laat ik die ijsberg ook maar een naam geven, ik noem hem de Mediawet
Ik heb de indruk gekregen dat deze dag in de plaats is gekomen van de jaarlijkse 'achterbandag' van de BOS. De laatste jaren was dat een gladde bijeenkomst, met een 'internationaal bekende boeddhist'. Maar tot een paar jaar geleden was er voor de aanwezigen, kijkers naar en luisteraars van de BOS-uitzendingen, ruim gelegenheid commentaar te leveren op die programma's. Dat kon zelfs, u gelooft het misschien niet, als dat commentaar kritisch was.
Nu is de achterbandag, als feestdag, ingebed in een filmfestival. Nu heb ik niets met films, ze zijn meestal esthetisch, bijna nooit ethisch of soteriologisch maar ze passen wel in deze boeddhistische Titanic.
Volgens mij behoren echter teksten en chanten meer tot de boeddhistische cultuur.
Aan mijn chanten wil ik u niet blootstellen, daarom van mij vanmiddag wat tekst.
U weet natuurlijk dat er vanmiddag ook de presentatie is van het boek van Anne Kleisen e.a.,
“Ja, ik zit! Jonge boeddhisten over relaties, seks, werk en andere aardse zaken.”
In zekere zin is mijn speechje daar een aanvulling op:
“Ik ga nog niet liggen. Een oude boeddhist over niet-zelf, onbestendigheid,
lijden, doodgaan en andere universele zaken.”
Alleen zal ik – ouderwets – niet zoveel over mezelf vertellen.
Maar over de Dharma dus.
Wat is de Dharma? Want we zouden het bijna vergeten: de BOS is er voor, de Dharma te brengen. Artikel 2.42 van de Mediawet zegt dat het bij omroepen zoals de BOS gaat om het:
“...verzorgen van media-aanbod op kerkelijk of geestelijk terrein”
Minister Plasterk heeft verleden jaar een verduidelijking hiervan gegeven die de BOS niet zo waardeerde. Hij zei: `Sinds 1957 is er in Nederland zendtijd voor kerkgenootschappen en
genootschappen op geestelijke grondslag die een specifiek aanbod van levensbeschouwelijke aard verzorgen. Binnen het Nederlandse omroepbestel wordt hiermee een specifieke invulling gegeven aan de religieuze en levensbeschouwelijke diversiteit. Mijn opvatting is dat een dergelijk podium voor geloofsstromingen – niet aanvullend op overige aanbieders, maar als zelfstandig gepositioneerde
zendgemachtigden met de voor hun achterban kenmerkende boodschap - een nuttige maatschappelijke voorziening is. Doordat dit aanbod deel is van het totale media-aanbod van de landelijke publieke omroep kan een veel breder publiek van geïnteresseerden daarvan kennis nemen. Bovendien voorzien de programma’s in een maatschappelijk behoefte: voor mensen die geen kerk meer kunnen bezoeken of vanuit huis kennis willen nemen van opvattingen en godsdienstbeleving binnen de geestelijke hoofdstromingen in de samenleving. Het kan bijvoorbeeld gaan om mensen die slecht ter been zijn en niettemin hun gewoonte van een wekelijkse kerkdienst willen volhouden. Ik zie de ruimte voor deze omroepen dan ook primair als een service aan, voornamelijk oudere, mensen die op deze manier hun geloof kunnen beleven ...`
Dit is iets te streng gezegd. Ik vind – met de wetgever – dat het om het brengen van de Dharma gaat. Maar ik vind niet dat de BOS alleen tot doel heeft, service aan oudere boeddhisten in de vorm van deelname aan Dharma-beoefening te bieden. Dat mag best ook wel aan jongere mensen te gebeuren, die categorie die hier vanmiddag goed vertegenwoordigd is.
En dat dat ook best mag voor hen die geen boeddhist zijn maar zogeheten affiniteit ermee hebben, wat dat ook betekent. Maar dan moeten ze wel hun affiniteit willen beleven.
(Ik heb laatst deze zogeheten mensen met affiniteit vergeleken met mensen die zeggen aan sport te doen; bij doorvragen blijkt dat voor veel van hen slechts te betekenen: het volgen van sportuitzendingen op de televisie.)
In de uitnodiging voor vanmiddag staat dat ik kan tonen wat voor mij belangrijk is, wat mijn passie is. Welnu, mijn passie is de Dharma, of de Dhamma zoals in het Pali de Theravada-vorm ervan genoemd wordt. Daar wil ik nu een proeve van geven.
Hierbij wil ik benadrukken dat het boeddhisme voor mij een religie is. Tot voor kort was het bij sommige Nederlandse boeddhisten populair om te zeggen dat het (of : hun) boeddhisme niet een religie was maar een 'levenswijze'. Ik geef toe: 'een levenswijze' past wel beter bij het westerse individualisme en consumentisme. Om bv met een leiderschapscursus een bedrijf binnen te komen, is het beter, het religie-karakter te ontkennen.
Het grappige is dat de laatste maanden de vraag of iets een religie is of niet, een strijdpunt is geworden; Geert Wilders stelt dat de Islam een ideologie is en niet een religie; anderen stellen dat het wel degelijk een religie is; en daarmee bedoelen ze iets moois, iets positiefs. Kortom: 'religie' is terug van weggeweest.
Nu zijn er honderden omschrijvingen van wat een 'religie' eigenlijk is, ik ga hier uit van die van de godsdienstwetenschapper Ninian Smart die het omschrijft als: “een verzameling van
geïnstitutionaliseerde rituelen van een groep mensen die verbonden zijn met een traditie en die spirituele sentimenten met een buiten-menselijke focus uitbeelden of oproepen en ten minste ten dele gebaseerd op mythologie en/of doctrines.“
Vooral die 'buiten-menselijke focus' valt op, het 'transcendente' wordt dat ook vaak genoemd; voor wie bezig is met het dood gaan, is dat een onvermijdelijke dimensie.
Om mezelf wat te plaatsen: ik noem mezelf naast ‘kritisch’ boeddhist en ook ‘vrijzinnig Theravadin’. Dat mag bv blijken uit m’n waardering voor Stephen Batchelor. Daarom citeer ik eerst de slotpassage van zijn boek ‘ Confession of a buddhist atheist’ (pagina 240).
[Een voorzichtige en zo letterlijk mogelijke vertaling]
“ Als het begrip ‘seculiere religie’ niet beschouwd zou worden als een contradictio in
terminis [waarom eigenlijk, Joop ?], dan zou ik dit concept graag ondersteunen.
Ik denk niet langer aan de beoefening van het boeddhisme louter in termen van vooruitgang boeken in de meditatie en het verkrijgen van ‘spirituele’ verworvenheden.
De uitdaging van het Achtvoudige Pad van Gotama is - zoals ik dat begrijp – om te leven in déze wereld op een manier die het het mogelijk maakt dat elk aspect van zijn of haar bestaan bloeit: zien, denken, spreken, handelen, werken, etc.
Elk gebied van het leven vraagt om een specifieke wijze om de Dhamma te beoefenen. Meditatie en mindfulness alleen zijn niet genoeg. Gegeven de taak om te reageren op het lijden dat me elke keer confronteert als ik een krant open sla, vind ik het immoreel om de eisen van dit leven ondergeschikt te maken aan de ‘hogere’ taak van het zich voorbereiden naar een bestaan – of niet-bestaan – na de dood. Ik zie mezelf als een seculier boeddhist die zich geheel betrokken weet op de vragen die deze tijd stelt, waarbij het er niet toe doet hoe inadekwaat en onbetekenend mijn antwoorden op deze eisen ook mogen zijn."
Omdat hier vanmiddag vast wel film-liefhebbers zijn, u kent natuurlijk de term 'feel-good-movie'. Op dezelfde manier kan men van een 'feel-good-buddhism' spreken. 'buddhism-lite' wordt het ook wel genoemd. Het is een variant van het New-Age-positief-denken: als je iets echt wil, komt het er.
Het is het boeddhisme van de 'winners' in onze samenleving, van 'losers' moet men niet zoveel hebben, die kent men ook nauwelijks. Het is een boeddhisme als vorm van consumentisme waarin leraren verworden tot eigenaren van bedrijfjes. Het is het boedhhisme dat, als het zich tot het bedrijfsleven richt, richt op de leidinggevenden, nauwelijks op de leiding-nemenden (daar identificeert men zich liever niet mee en valt minder aan te verdienen)
Ik stel daar tegenover het boeddhisme waarin de vier Edele Waarheden centraal staan, en als eerste daarvan die van het lijden, dukkha. Waarin “bijvoorbeeld de laatste stap van de paticcasamuppada (de leer van het 'voorwaarderlijk ontstaan') onder de mat worden geveegd.
Ik citeer: “Door geboorte als voorwaarde, ontstaan ouderdom en dood, verdriet, weeklagen,
pijn, smart en wanhoop. Aldus ontstaat deze hele massa van lijden.”
Gelukkig is er ook de vierde van de Edele Waarheden, en dat is die van het Achtvoudige Pad.
Het Achtvoudige Pad van de beoefening dat niet alleen over wijsheid gaat en over concentratie maar ook over ethiek. En juist de moraliteit is een van de verwaarloosde aspecten van het hedendaagse Nederlandse boeddhisme (vind ik dan).
Natuurlijk moet je je eigen ethische opvattingen niet aan anderen opleggen, maar je mag ze best aan anderen voorhouden. En een boeddhistische organisatie mag ook best onethisch gedrag ontmoedigen.
Een ander elegant aspect van het Achtvoudige Pad is dat het wereldlijke en het transcendente (net heb ik dat genoemd het aardse en het universele) met elkaar verbindt. Het gaat over 'gewone' ethiek als niet stelen, niet doden, niet liegen; maar ook over wijsheid.
Eerst een opsomming voor degenen onder de aanwezigen die niet zo ‘bijbelvast’ zijn.
Bij de wijsheid wordt onderscheiden:
het juiste begrip, of de visie;
het juiste denken, of de juiste attitude;
Interessant is dat het gebruiken van het verstand, het intellectuele waar sommigen zo minachtend over doen, ook bij 'wijsheid' een rol speelt. Ook speelt 'de wil' een rol, bij de juiste inspanning.
Kortom: boeddhisme is méér dan gevoelens van compassie hebben.
De ethiek kent als factoren:
het juiste spreken,
te onderscheiden zich onthouden van leugens, roddel, laster, ruwe taal èn gebabbel (!);
het juiste handelen;
afzien van doden, stelen, onzuiver seksueel gedrag; maar ook: positief geëngageerd gedrag;
het juiste levensonderhoud,
traditioneel worden hier beroepen bedoeld als slager, soldaat, drugs-dealer, enz.
Een actueel discussiepunt bij dit levensonderhoud is of het is toegestaan,
geld te verdienen met het boeddhisme ?
Ik kan me voorstellen dat het model uit Aziatische landen hier niet volledig toepasbaar is. Het model: op het ‘beoefenen’ in een tempel staat geen tarief, ook voor mediteren of teksten meekrijgen. Of en hoeveel dana (vrijgevigheid) men kan geven, wordt vrijgelaten.
Belangrijk daarbij is: dana is geen ruilmiddel voor wat men verkrijgt, geld geven is
een vorm van verdìènsten verwerven, voor karma dus.
Dit model is in Nederland grotendeels losgelaten, zonder dat daar een reflectie op heeft plaatsgevonden. Soms is er een mengvorm: dana voor de leraar en de kosten voor verblijf etc. tegen een tarief. Ik merk daarover dan bij sommige leraren een te grote bescheidenheid: juist omdat vrijgevigheid hier niet zo gebruikelijk is, moet het krachtiger worden benadruk dan nu soms gebeurt. Vrijgevigheid is geen vrijblijvendheid !
Maar meestal is men een stap verder gegaan en zijn er alleen maar tarieven (langzamerhand ook met een hoogte zoals in het bedrijfsleven gebruikelijk). Geld puur als ruilmiddel dus. De markt.
De reden dat ik ernstig twijfel aan de wenselijkheid van dit consumenten-model is niet alleen van ethische aard, ik denk dat de Dharma zelf verandert in dit economische krachtenveld.
Niet alleen de 'dana', vrijgevigheid – ook het begrip 'dukkha' wint geen populariteitsprijs van de markt en komt in Happinez-achtige teksten niet voor. ´Bescheidenheid´ en ´geduld´ook niet.
Bovendien is de relatie leraar tegenover leerling aan het veranderen in die van eigenaar van een bedrijfje (een boeddhistisch ondernemer) tegenover spirituele consument. Volgens mij kan je in dit model niet meer van een sangha spreken.
Een aparte vorm is het gebruik van geseculariseerde aspecten van het boeddhisme, zoals de mindfulness (voorheen beter bekend als vipassana-meditatie als vorm van beoefening), nu in handen van professionals … en beunhazen.
Op de Dharma berust geen copyright, maar ik vind dat degenen die mindfulness geven en coachen op (volgens henzelf) boeddhistische principes en andere vergelijkbare professionals, een percentage van hun inkomsten moeten geven aan het boeddhisme. Ze ‘lenen’ tenslotte van de Dharma, om het aardig te zeggen (de Boeddha zelf noemt het stelen). We moeten daar maar een aparte stichting voor in het leven roepen, een soort Buma-Stemra (“Boema”).
Nog veel verdergaand is er het geld verdienen aan het boeddhisme (niet zozeer aan de ‘Dharma’). Het boeddhisme en het boeddha-beeld is in de mode; en net zo als “sex sells” bv halfblote dames bij autoreclames, kan men zeggen: “buddha sells”, als er zaken mee aan de man worden gebracht die op zich niets met de Dharma te maken hebben. Sieraden bv. Of dat wat de horeca te bieden heeft. Het is puur consumentisme. Er is geen reden dit te vergoeilijken, en geen reden voor de BOS daar positieve aandacht aan te besteden.
Terug naar het Edele Achtvoudige Pad. Het derde onderdeel, de concentratie, kent:
de juiste inspanning, de wil om onheilzame zaken te vermijden;
de juiste oplettendheid; (vipassana, 'mindfulness' maar dan niet-geseculariseerd)
de juiste meditatieve concentratie (of: absorptie)
Dit laatste wordt in Pali 'jhana' genoemd, vertaald als het Chinese 'Chan’en in het Japans Zen.
‘Meditatie’ bestaat dus uit 'oplettendheid' èn uit concentratie. Licht overdreven: alleen
vipassana beoefenen of alleen zazen is het Edele Eénvoudige Pad (ipv het Achtvoudige Pad).
Dat als reactie op de uitnodiging voor vanmiddag. Ik mag ook hier “tonen van wat in het boeddhisme wel genoemd wordt mijn ware aard” , heet het.
Een groot misverstand want één van de drie belangrijkste kenmerken van het menselijk bestaan in het boeddhisme is juist dat van anatta – niet-zelf. (De andere twee zijn dukkha, het lijden; en anicca, de tijdelijke en vluchtige aard van alle fenomenen)
Nu staat al wat wel in het boeddhisme genoemd wordt de boeddha-natuur, al op gespannen voet met het anatta-kenmerk, maar we kunnen zeggen dat de 'boeddha-natuur' eigenlijk geen natuur is maar een potentie. Maar om dat door te trekken en trots te spreken over de ware aard die men hier kan tonen, slaat nergens op, boeddhistisch gezien dan.
Een 'ware aard' is een mentale constructie, daar moet men juist van af komen.
Nu weer terug naar de BOS en naar de Titanic.
De BOS-televisie heeft het in haar programma´s van de afgelopen tien jaar nauwelijks over deze zaken, het Dharma-gehalte is naar mijn overtuiging zelfs gedaald. (Op de radio gaat het beter.) Waarschijnlijk omdat men liever gezellige, bruisende en positieve zaken wilde tonen, een feel-good-buddhism. Net zo als waar de uitnodiging voor vanmiddag op aanstuurde.
Botst ook dit keer de Titanic op de ijsberg?
Een spannende vraag, en dat moet ook want het moest ook spannend worden vanmiddag.
Anders gezegd: haalt de BOS haar twintigste verjaardag ?
Het ziet er voor de Publieke Omroep natuurlijk niet te best uit, daar wordt op bezuinigd, dus ook op de BOS; en of art. 2.42 Mediawet gehandhaafd blijft, is ook nog maar de vraag.
Maar laten we, zolang we op onze boeddhistische Titanic varen, dan toch vooral kunnen kijken naar programma's die, in de trant van de benadering van ex-minister Plasterk, de Dharma brengen, voor jong èn voor oud. Nadruk dus op de inhoud en niet meer op de vorm.
Hoge kijkcijfers levert dan waarschijnlijk niet op, maar minstens evenveel overlevingskansen.
En laat de BOS wat journalistiek in haar tv-programma's brengen – zoals bij de BOS-radio wel gebeurt – onder andere over wat zich in boeddhistisch Nederland afspeelt, over discussies die in de BUN plaatsvinden; de bijeenkomst van zaterdagochtend 30 oktober is een ideale gelegenheid! De BOS hoort daar als onderdeel van de Publieke Omroep aanwezig te zijn – in haar journalistieke functie - en niet als BUN-lid.
Kortom: Ik blijf de BOS volgen. En ik dank u.
Labels:
boeddhisme in Nederland,
BOS,
televisieprogramma's
Abonneren op:
Posts (Atom)